Les van Van Weezel: schrijf in Den Haag geen sportverslagen

Van Weezel, beeld ANP, RICK NEDERSTIGT
2

Velen beschimpen tegenwoordig de media. Die heten links, bedrieglijk en rellerig te zijn. Toch kan de democratie niet zonder pers; maar dan wel graag één die krachtig, kritisch en inhoudelijk is.

De vorige week op 67-jarige leeftijd overleden journalist Max van Weezel was in Den Haag een bekendheid. Zo zelfs dat de Tweede Kamer hem dinsdag officieel herdacht.

De herdenkingsspeech van Kamervoorzitter Arib stond bol van de superlatieven. Van Weezel, van Joodse komaf maar qua levensbeschouwing a-religieus, heette „een meesterjournalist” te zijn, „even briljant als geestig, even scherpzinnig als geliefd”. Bovendien „een journalistieke duizendpoot, die elk genre tot in de finesses beheerste”.

Ach ja, toe maar. Dat Arib Van Weezel beschreef als „een kleine man met grote bril, doorgaans gekleed in een wat morsige regenjas, zeulend met een grote, van papier en sigaren uitpuilende aktetas”, riep bij elk die hem kende herkenning op.

Toch had de Kamervoorzitter aan haar typering meer reliëf kunnen geven, namelijk wanneer zij iets had geciteerd uit een interview dat Van Weezel in 2014 gaf aan de Volkskrant. Het was op het moment dat hij door zijn hoofdwerkgever, Vrij Nederland, na veertig trouwe dienstjaren aan de kant was gezet als vaste columnist.

Wat in dat interview boeit, is de kritische, wat trieste zelfreflectie die Van Weezel tentoonspreidde. Veertig jaar had hij aan het Binnenhof rondgesjouwd, van debat naar debat, van symposium naar symposium, van borrel naar borrel. Rusteloos op zoek naar nieuws, naar politieke spanning, naar relletjes. En wat had het hem gebracht?

Hij had zich –zo stelde hij zelf vast– vooral beziggehouden met „ditjes en datjes”, met dingen „die op dát moment op de vierkante meters van het Binnenhof belangrijk werden gevonden.” Als een staatssecretaris door een interview met hem in politieke problemen kwam, was Van Weezel apetrots. „Maar nu weet niemand meer wie die staatssecretaris was.”

Wie die weemoedige en bijna gedesillusioneerde terugblik op zijn leven vergeet, mist een belangrijke les. Welke? Nou, níét deze, dat politiek redacteuren beter kunnen stoppen met hun werk. Daarvoor blijft het controleren van de macht in een democratische rechtsstaat te belangrijk.

Die les is wel dat in het Haagse machtscentrum verkerende journalisten zich niet mogen verliezen in het beschrijven van kleingeestige ruzies en van zich altijd weer aaneenrijgende hypes. Die les is ook dat zij zich ervoor moeten hoeden hun artikelen steeds weer op te bouwen als waren het sportverslagen: wie wint er vandaag en wie verliest? Die les is vooral dat zij zich moeten focussen op de grote lijnen in de landspolitiek, op de inhoud van het beleid en op wat dat beleid voor burgers betekent.

Want let wel, hoe zelfkritisch Van Weezel aan het eind van zijn leven ook was, deze laatste dingen deed hij –behalve zich verliezen in beuzelarijen– wel degelijk. Hij was, naar eigen zeggen, een journalist die „nog alle begrotingsstukken doorworstelde om te zien of er licht zat tussen de begroting van Sociale Zaken en de Macro Economische Verkenning.”

Journalisten die zich in dergelijke ambachtelijke vaardigheden blijven trainen, eren –gelet op de centrale boodschap van het eerder genoemde Volkskrantinterview– de nagedachtenis van Van Weezel het best.