Lachen doen de ChristenUnie-bewindslieden samen, huilen ook

7

Wat betekent het om de ChristenUnie te vertegenwoordigen in het kabinet? De drie bewindslieden Schouten, Slob en Blokhuis over negen kilo leesvoer in het paasweekend, overhemden strijken op zondagavond en lessen trekken uit het Bijbelboek Daniël.

Geruisloos komen hun glimmende bolides aangezoefd; enkele uren voor de ministerraad. De chauffeurs van de drie CU-bewindslieden Schouten (41), Slob (57) en Blokhuis (55) weten de afgesproken plek feilloos te vinden: het kleine restaurant Greens; gelegen in het Haagse Westbroekpark, tegenover het markante kerkgebouw de Nieuwe Badkapel.

Greens, uitgekozen door vicepremier Schouten die er geregeld luncht, past uitstekend bij de ChristenUnie: biologisch, met naast het kasvormige restaurant een „zorgmoestuin”, waar „in het weelderige groen” (aldus de website) mensen werken „met een afstand tot de arbeidsmarkt.”

Vandaag voor het CU-trio geen lunch, maar een ontbijt. En geen werkoverleg, maar een gesprek over wat zij in elkaar waarderen, over hoe ze elkaar helpen in moeilijke omstandigheden, zowel in het werk als privé, en over hoe ze zich verhouden tot de rest van het kabinet. En natuurlijk over hun politieke drive en missie.

Wij onderling

Slob: „Wij kennen elkaar al jaren. Als Kamerlid was ik jullie baas.”

Blokhuis maakt aanstalten om op te staan. Gekscherend: „Oh, gaan we zo beginnen? Zullen wij dan maar vertrekken, Carola?”

Slob, onverstoorbaar: „Toen ik in 2001 Kamerlid werd, was Paul al ruim tien jaar beleidsmedewerker. We zaten daarna jarenlang op dezelfde werkkamer. Op Paul kon ik als volksvertegenwoordiger blindelings vertrouwen. Hij leverde panklare teksten aan.”

Blokhuis: „Eén keer, herinner ik me, had ik voor een debat over het uitdiepen van de Westerschelde een belangrijk detail over het hoofd gezien. Daar had ik enorm de smoor over in. Jij ontdekte het nog net op tijd, via internet.”

Slob, fijntjes: „Daar wilde ik expres niet over beginnen. Overigens kende ik jou en je familie al vóór 2001. Met je broer Leo was ik bevriend. Samen met hem zat ik op de Evangelische Hogeschool. Zodoende was ik al eens bij jullie thuis geweest.”

Schouten: „Toen Paul in 2006 wegging uit Den Haag, volgde ik hem als fractiemedewerker op. Wij hebben elkaar dus gekruist.”

Blokhuis: „Daarmee plaagden ze me toen ik in 2017 uit Apeldoorn vertrok. De burgemeester en de overige wethouders hadden een lied gemaakt. Eén van de elementen: „Het meisje dat jou opvolgde bij de CU-Tweede Kamerfractie is inmiddels vicepremier. En jij komt, haha, niet verder dan staatssecretaris. Dan moet je wel een enorme loser zijn.”

Schouten: „Pauls kracht is dat hij een aanstekelijke energie om zich heen heeft hangen. En dat hij ontwapenend eerlijk is. Arie en ik denken iets meer van tevoren na over hoe we zaken moeten aanpakken en over hoe iets op anderen overkomt. Van jou leren we gewoon te doen zoals we zijn. Jij hebt nooit een verborgen agenda.”

Slob: „In Paul waardeer ik naast zijn authenticiteit vooral zijn humor. Jij kunt met een kwinkslag de sfeer in een groep in één keer doen omslaan.”

Blokhuis: „Wij vullen elkaar qua karakters goed aan. Arie bijvoorbeeld is de rust zelve. Op de vierkante kilometer van het Binnenhof ben jij echt de aller-, allerlaatste die in paniek raakt. Heb ik een stressaanval, dan bel ik Arie. En wat dat jezelf zijn betreft; thuis zit ik permanent in een omgeving van dames. Zij zijn mijn kritische spiegels. Een voorbeeld: Als ik ’s avonds naar de koelkast loop, hoor ik gelijk een van mijn puberdochters: „Hé pa, niet te veel alcohol.” Dan is de boodschap helder: Denk om wat gezond is. Even matigen.”

Schouten: „Arie was mijn leermeester. Samen hebben we in de jaren 2010 tot 2016 heel wat akkoorden gesloten. Jij hebt een bepaalde senioriteit.”

Slob, quasi-geraakt: „Jaaa, ik weet het: deze week werd ik voor de derde keer opa. Maar wat ik sterk vind in Carola is haar grondige dossierkennis. Op financieel en economisch terrein is zij een kei. Wat dat betreft kwam zij als fractiemedewerker en als Kamerlid precies op het goede moment. We deden bij de ChristenUnie de financiële kant van dossiers er altijd maar zo’n beetje bij; nu konden we op dit terrein gaan excelleren. Bovendien kun jij goed de wedstrijd lezen. Zo van: als wij deze stap zetten, dan gaat de andere partij dit of dat doen.”

Blokhuis: „Carola houdt ons scherp. Zij zat bij de formatiebesprekingen en weet van elke regel uit het regeerakkoord de ontstaansgeschiedenis. Ik denk dat jij van ons ook de sociaalste bent. Je houdt ons in de gaten. Zo van: Trekken jullie het nog wel? Soms moeten we jou een beetje afremmen: Nee, Carola, nee, je kúnt niet in je eentje de hele wereld verbouwen!”

Wij en ons thuisfront

Schouten: „Nee, we komen niet voortdurend bij elkaar over de vloer. Maar we kennen elkaars gezinnen. We laten elkaar foto’s zien van onze familieleden.” Dan, plagerig, richting Blokhuis: „Paul trouwens minder, die laat vooral vogelfoto’s zien.”

Blokhuis, ‘verontwaardigd’: „Nee, dat is niet waar.” Vervolgens, enthousiast zijn mobiel grijpend: „Maar eh, ken je deze al? Dit is een scharrelaar, gefotografeerd in Zuid-Frankrijk. En kijk, hier, een sporenkievit. Leuk, toch? Ja, vogels spotten en fotograferen is een liefhebberij van me.”

Slob: „We leven met elkaar mee, ook wat onze privésituatie betreft. We lachen én huilen met elkaar.”

Blokhuis: „Ruim een jaar geleden verloren wij onze dochter Julia, die nog maar 18 jaar was. Jullie zeiden meteen: „Laat de boel in Den Haag los! Meteen! En richt je op je gezin.” Dat heb ik erg gewaardeerd.”

Slob: „Ook in vreugdevolle dingen leven we met elkaar mee. Toen ik vorig jaar opa werd, bijvoorbeeld.”

Blokhuis: „En samen houden we Carola’s 18-jarige zoon een beetje in de gaten, hè? Vorig jaar moest ik zo om hem lachen toen hij als introducee meekwam naar het Catshuis. We hadden daar een barbecue met de bewindslieden. Zie ik hem daar, heel geïnteresseerd, staan praten met Stef Blok. „Dus jij bent met je moeder mee?” begon Blok. „Leuk dat je er bent.” Zegt hij, terwijl hij zijn satéstokje nog wat verder afkluift: „Ook leuk dat ú er bent.” Geweldig toch.”

Schouten: „We draaien in de politiek veel uren. Dat gaat bijna vanzelf. We noemen onze partij weleens een familiebedrijf: we zitten er met ons hele hart in en kijken niet op de klok.”

Slob: „Het calvinistische arbeidsethos speelt ons parten.”

Blokhuis: „Voor het thuisfront is het belastend. Want zelfs als je fysiek aanwezig bent en in de huiskamer zit, ben je soms mentaal afwezig. Van je ambtenaren krijg je de beruchte loodgieterstassen vol dossiers mee naar huis, tegenwoordig pilotentassen genoemd. In het laatste paasweekend ben ik er een keer mee op de weegschaal gaan staan. Werd ik chagrijnig van. ’k Heb mijn team meteen geappt: „Jullie hebben mij negen kilo leesvoer meegegeven. Negen kilo!””

Na een kort stilte: „Vorig jaar heb ik, na het overlijden van Julia, besloten op woensdag in principe thuis te werken. Ik lees dan wel m’n mail, doe telefoontjes en handel dossiers af, maar plan geen werkbezoeken of afspraken in Den Haag. Om wat rust in te bouwen. En het verlies dat wij als gezin geleden hebben een plek te geven. Soms levert dat verbaasde reacties op. Als ik dan op woensdag de hond uitlaat, vragen mensen: Huh? Alweer reces?”

Slob: „De zondag is voor het gezin en kerkgang. Dat is althans het uitgangspunt. Een enkele keer moet ik op zondagavond al beginnen met stukken lezen. En ik moet m’n overhemdjes even strijken. Want het moet maandag allemaal wel mee naar Den Haag. En dat voor meerdere dagen, want ik overnacht er enkele nachten in de week.”

Schouten: „De zondag is ook voor mij een rustdag. Heerlijk dat het onze lijn is dat wij op die dag geen media doen en geen werkbezoeken. Maar als er dingen spelen rond het coalitieoverleg, ja, dan moeten er in mijn rol als vicepremier soms op zondagavond wel wat telefoontjes worden gepleegd.”

Blokhuis: „Dan is de sabbat voorbij, toch? En wat mijn portefeuille betreft, daarin zitten ook herdenkingen. Is het bijvoorbeeld Holocaustherdenking, ja, dan heb ik wel zoveel respect voor de slachtoffers dat ik met alle liefde met Mark Rutte op zondag een krans ga leggen. Daar hoef ik niet over na te denken, voor mij valt zoiets onder de werken der gerechtigheid. Weet je wat ik op zulke dagen vooral bedenk? Dit had pa nog moeten zien. Ik kom uit een domineesgezin en mijn vader was een grote vriend van Israël. Je kon hem er ’s nachts voor wakker maken.

Bij de laatste plechtigheid dacht ik trouwens op enig moment: wat trilt dat bankje toch! Zit Mookie Saluna, de kinderstaatssecretaris, naast mij helemaal te shaken, in de stromende regen. Ik heb hem maar even vaderlijk tegen me aangetrokken.”

Wij in het kabinet

Slob: „In de Trêveszaal, bij het wekelijkse kabinetsberaad, zitten Carola en ik schuin tegenover elkaar, precies in elkaars gezichtsveld. Dan heb je, als het nodig is, zó oogcontact.”

Blokhuis: „In moeilijke situaties helpen we elkaar. Bij het Preventieakkoord bijvoorbeeld hebben we het erover gehad hoe ver we willen gaan. Wil je van gezondheid een soort afgod maken? Nee, maar het is wel Bijbels om te zeggen dat ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest. En soms vraag ik Arie en Carola om mee te denken hoe ik binnen de coalitie het beste kan onderhandelen. Hoever kan ik op een bepaald dossier gaan? Hoe krijg ik Financiën mee? Daar hebben zij meer ervaring mee dan ik.”

Schouten: „Of wij drieën in het kabinet weleens een blok vormen? Lijnrecht tegenover de rest staan? Neuh, zo’n situatie kan ik me niet heugen.”

Slob: „Soms zijn wij CU-politici best lastig. We hebben opvattingen waarvan anderen denken: waar komen die nu toch vandaan? Nu ja, dan leggen wij –in overdrachtelijke zin dan –een Boek op tafel, onze bron. En daar kunnen we het dan met anderen over hebben.”

Blokhuis: „Ook in contact met ambtenaren komt het wel voor dat ik uit moet leggen wat mijn achtergrond en manier van denken is. Begrijpelijk dat zij willen weten wat voor vlees ze in de kuip hebben, zeker als ze geacht worden mijn speeches te schrijven. Op het departement heb ik een paar lange sessies gehad over mijn drijfveren. Daarna kwam er iemand naar me toe die zei: „Wat is dat eigenlijk gaaf, dat geloof!””

Slob: „Ik begrijp goed dat mensen in het land denken: met D66 kun je als christelijke partij toch niet samenwerken? Ik denk dat dit wel kan. Het is een christelijke houding om anderen nooit af te schrijven. Ja, wij staan op onderdelen ver af van het gedachtegoed van D66. En soms knettert het tussen ons. Maar met het programma van de VVD hebben wij net zo weinig affiniteit. Ik weet dat D66 het in ons steeds heeft gewaardeerd dat we altijd met open vizier hebben gestreden. En ik vond het heel bijzonder dat Alexander Pechtold mij vroeg om te spreken bij zijn afscheid. Dat ontroerde me haast.”

Schouten: „In de tijd dat ik fractiemedewerker was, ben ik een keer, ik denk aan het einde van een jaar, bij Arie op de kamer gaan zitten. Ik vroeg me af: wat krijgen wij nu eigenlijk voor elkaar in de politiek? We waren zo klein en voor mijn gevoel zo onbetekenend. We mochten blij zijn als we af en toe een motie aangenomen kregen. „Doorgaan en volhouden”, zei Arie, „vroeg of laat komen er weer nieuwe wegen.””

Slob: „Die tijd is gekomen. Als je ziet waar de ChristenUnie en haar voorgangers vroeger stonden, en waar we nu staan: wat een verschil. Hoe smal was vroeger onze basis. Als GPV’er herinner ik me nog dat we bij wijze van spreken blij mochten zijn als we in Zuidhorn een wethouder konden leveren. De partij heeft zich zó ontwikkeld. Als het gaat om het nemen van verantwoordelijkheid, maar ook qua toestroom van jonge, getalenteerde mensen. Wethouders in de grote steden, een commissaris van de koning in Overijssel, voor de tweede maal in een kabinet. Soms voel ik me bij wijze van spreken net Alice in Wonderland.”

Schouten: „Het geeft ook een grote verantwoordelijkheid. Ik moet zeggen dat ik, sinds wij weer in het kabinet zitten, het Bijbelboek Daniël met andere ogen ben gaan lezen. Daniël functioneerde in een omgeving waarin hij bepaald geen meerderheidsstandpunt kon innemen. Maar hij pakte zijn rol en werkte naar vermogen. Tegelijk bleef hij dicht bij zijn eigen overtuiging.”

Blokhuis: „Hij gaf ook grenzen aan.”

Schouten: „Zeker. Er kunnen momenten komen dat je zegt: tot hier en niet verder. Tegelijk leer ik van Daniël, met wie ik me echt niet op één lijn wil stellen, dat je je niet te gemakkelijk mag wegdraaien van moeilijke situaties. Zo van: hier brand ik mijn vingers niet aan. Ik heb weleens gedacht: uiteindelijk moeten wij onze hand omhoog of omlaag doen. Voor- of tegenstemmen. Daar zit niets tussenin.”

Blokhuis: „En verder staan we er ontspannen in. Hoe het na de Statenverkiezingen verder moet? Daar zullen we best een weg in vinden. Of dit kabinet de eindstreep haalt? We zullen het wel zien.”

Slob: „We hóéven niet per se te regeren.”

Blokhuis: „Als God hier een deur sluit, doet Hij vaak elders weer een raam open. We laten het aan Hem over.”

Carola Schouten

Carola Schouten (1977) is minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Een van haar speerpunten is het verduurzamen van de landbouwsector. Hoofdpijndossier voor Schouten is het besluit van Europa om het gros van de afgegeven vergunningen voor de pulskorvisserij niet te verlengen.

Paul Blokhuis

Paul Blokhuis (1963) is staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Als portefeuillehouder preventiebeleid is hij verantwoordelijk voor de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma. Blokhuis botste geregeld met VVD en D66, bijvoorbeeld over het subsidiëren van Siriz en over de voorlichting rond prenatale zwangerschapstesten.

Arie Slob

Arie Slob (1961) is minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Hij bereidt op dit moment wetgeving voor over het stichten van nieuwe scholen en over het burgerschapsonderwijs. Deze week werd hij naar de Kamer geroepen om tekst en uitleg te geven over het islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam dat banden zou onderhouden met Tsjetsjeense terroristen.