Kamer erkent Armeense genocide, kabinet houdt het bij „kwestie”

Maandoverzicht februari 2018
CDA-Kamerlid Van Helvert en minister Kaag (waarnemend op Buitenlandse Zaken). beeld ANP, Bart Maat.

Twee stappen voorwaarts maakte de Nederlandse politiek donderdag in het erkennen van de Armeense genocide van 1915. Op één punt staat het kabinet echter onbeweeglijk: het blijft spreken van „de kwestie van” de Armeense genocide.

Wat je in een coalitie wel en niet vermag. Onder dat kopje kan het recente ijveren van ChristenUnie-Kamerlid Voordewind voor een rondborstige erkenning van de Armeense genocide door Nederland prima worden geschaard. De parlementariër kreeg, frequent overleggend met zijn coalitiegenoten binnen en buiten het kabinet, de achterliggende week veel voor elkaar.

Met uitzondering van DENK stemde donderdag de hele Kamer voor een motie van zijn hand waarin „de Kamer de Armeense genocide erkent.” Zó expliciet had het parlement zich hierover nog nooit uitgesproken.

Tweede succes: met een even grote meerderheid aanvaardde de Kamer Voordewinds motie die het kabinet oproept in 2018 een minister te sturen naar de officiële herdenking van de genocide in de Armeense hoofdstad Jerevan; en bovendien om dat vanaf 2018 bij elk lustrum te doen.

Het kabinet gáát dat ook doen, zei minister Kaag (waarnemend bewindsvrouw op Buitenlandse Zaken) donderdag in het debat.

Toch riep juist deze tweede motie bij sommige partijen kritische vragen op. Want waarom blijft het kabinet halsstarrig spreken over „de kwestie van” de Armeense genocide, wilden met name PVV en SGP weten. Alsof je de vraag of er in 1915 sprake was van een volkenmoord, ook met ”nee” kunt beantwoorden.

SGP-leider Van der Staaij riep coalitie en kabinet daarom op nu maar meteen „door de zure appel heen te bijten” en het woord kwestie te schrappen uit het vocabulaire. „Onze relatie met Turkije is nu toch al op een dieptepunt.”

Volgens PVV-Kamerlid De Roon is erkenning van de genocide door de Tweede Kamer zelfs „een fopspeen.” Juridisch gezien hebben –als het om dit soort zaken gaat– alleen uitspraken van regeringen kracht. „Wat we nu doen, geeft onszelf een goed gevoel. Maar volkenrechtelijk heeft het geen waarde.” Volgens De Roon en Van der Staaij zouden Voordewind en de zijnen óók het kabinet moeten oproepen de Armeense genocide expliciet te erkennen.

Maar dát deed de coalitie dus niet. Waarmee precies duidelijk werd wat CU en CDA binnen de coalitie wel en niet vermogen. Ja, het kabinet gaat naar Jerevan. Maar nee, die presentie betekent –gek genoeg– niet „dat het kabinet een uitspraak doet over de vraag of er wel of geen genocide heeft plaatsgevonden”, aldus Kaag.

De Roon snapte er geen snars van. „Wat zegt onze minister dan als hem of haar door Armeense of andere journalisten gevraagd wordt wat hij in Jerevan komt doen? Een kwestie herdenken? Dat is toch te gek voor woorden?”

Kaag vond van niet. „Soms is aanwezigheid meer dan het vele dat we kunnen zeggen.” Eén fractie is dik tevreden met het blijven spreken over „de kwestie”, namelijk DENK. Kuzu: „Prima. Zo hebben twaalf voorgaande kabinetten het ook steeds gedaan.”