Industrie populaire zondebok van linkse politiek

beeld ANP

In de klimaatdiscussie krijgt de industrie veel aandacht. Linkse politici staan in de rij om bedrijven als Tata Steel en Shell aan te wijzen als stoutste jongetje van de klas. Donderdag zijn vertegenwoordigers van de grote CO2-uitstoters te gast in de Tweede Kamer.

„De vervuiler moet betalen.” Het is een veelgehoorde kreet in de klimaatdiscussie. De industrie zou vooral volgens linkse Kamerleden niet hard genoeg haar best doet om het doel van 49 procent reductie van CO2 in 2030 te halen.

De industrie is samen met bouwnijverheid en landbouw verantwoordelijk voor ruim een kwart van de CO2-uitstoot, blijkt uit onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daarbinnen zijn twaalf bedrijven verantwoordelijk voor zo’n 90 procent van de CO2-uitstoot in de chemie, olie- en staalindustrie.

De linkse politici kregen gelijk. De plannen, bedacht aan de zogenoemde ”klimaattafel Industrie”, leverden volgens de planbureaus te weinig reductie van CO2 op. Belangrijke kritiek op de voorstellen van de industrie was dat een algemene heffing op de uitstoot van CO2 ontbrak. Partijen als GroenLinks en de PvdA pleiten voor een zogenoemde platte heffing, waarin alle bedrijven betalen per ton CO2 die ze uitstoten.

Verstandig

Prompt na de presentatie van de doorrekeningen door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) op 13 maart kondigde het kabinet alsnog een CO2-heffing aan. Premier Mark Rutte vond dat er een „verstandige” heffing voor uitstoot moest komen. Duidelijker werd het niet.

GroenLinksleider Jesse Klaver reageerde opgetogen op deze aankondiging. Hij dacht dat het kabinet een platte heffing zou invoeren. Een staaltje creatief luisteren, want Rutte en minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat) deden niets meer dan aankondigen dat er een bepaalde heffing zou komen.

Was Klaver net voor de provinciale verkiezingen van 20 maart blij met de plannen, kort erna kreeg hij het deksel op zijn neus. De platte heffing komt er naar alle waarschijnlijkheid niet.

Vorige week schreef Wiebes in een brief aan de Tweede Kamer dat er „verkennende gesprekken” lopen met bedrijven over een heffing op de uitstoot van CO2. Een uitgewerkt voorstel is er nog niet, maar de minister gaf aan dat het kabinet gaat voor belasting op een beperkt deel van de uitstoot. Voorwaarde van de regering is dat de heffing niet dusdanig hoog wordt dat bedrijven besluiten te vertrekken uit Nederland.

Een beperkte heffing was tegen het zere been van Klaver. Woedend was hij. Maar de premier suste de boel. „Die man is helemaal in paniek om niets”, reageerde Rutte vorige week op zijn wekelijkse persconferentie. Het kabinet had nooit een platte heffing aangekondigd, wees de premier de GroenLinksleider terecht.

In diezelfde persconferentie kondigde Rutte aan dat het Klimaatakkoord niet eind april, maar minimaal een maand later naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Een goed model voor een CO2-heffing ontwikkelen blijkt „ongelooflijk complex”, gaf Rutte aan. Bijkomend voordeel is dat de Europese verkiezingen van 23 mei dan achter de rug zijn. Maar dat zei de premier niet hardop.

Onduidelijk

Ingewikkeld is een CO2-heffing zeker. Het kabinet werkt aan een variant waarin bedrijven alleen belast worden voor de uitstoot die boven de gemaakte afspraken uit komen. Maar welk bedrijf welk doel opgelegd krijgt, is nog onduidelijk.

Tegelijkertijd laten Klaver en PvdA-leider Lodewijk Asscher hun plan voor een platte CO2-heffing doorrekenen door de planbureaus. De uitkomsten hiervan worden half april verwacht.

Donderdag, bij het gesprek tussen Tweede Kamerleden en vertegenwoordigers van de industrie, komt de CO2-heffing ongetwijfeld weer ter tafel. En zullen de linkse politici de industrie opnieuw aanwijzen als stoutste jongetje van de klimaatklas.