Hoogleraar: Aanpak eenverdieners is vernederend en inconsistent

Eenverdieners
Hoogleraar Jos Teunissen strijd voor eenverdieners. beeld Jean Pierre Geussens

Na twee keer te zijn ‘afgewimpeld’ door de rechter gaat hoogleraar Jos Teunissen deze week, namens een kostwinnersechtpaar uit Landgraaf, in cassatie bij de Hoge Raad. In de hoop dat eenverdieners krijgen waar zij recht op hebben: een eerlijke fiscale behandeling.

Letterlijk ziek wordt hij ervan. Misselijk, grieperig. Steeds als hij zich in zijn woning in het Limburgse Bunde achter zijn computer zet om op te tekenen hoe de Nederlandse staat eenverdieners aantast in hun waardigheid, grijpt de materie hem behalve geestelijk ook lichamelijk aan.

„Het ís ook misselijkmakend”, zegt Teunissen (63), hoogleraar algemene staatsleer aan de Open Universiteit in Heerlen en zo ongeveer de laatste hoop voor de pakweg 400.000 fiscaal gedupeerde kostwinnersgezinnen.

Helaas voor hen zat Teunissen vaker achter zijn computer dan hem lief was. Vorige maand bekrachtigde het gerechtshof Den Bosch in hoger beroep de uitspraak die de rechtbank eind 2015 al deed. Daarin wordt de staat geen strobreed in de weg gelegd in zijn poging om –door de algemene heffingskorting voor niet-werkende partners stapsgewijs af te bouwen– eenverdieners te dirigeren richting tweeverdienersschap.

Hoewel Teunissen die uitspraken enerzijds wel aan zag komen –„als je zaak niet past in het partijprogramma van D66, maak je bij de rechters van tegenwoordig niet veel kans”– kan hij er tegelijk met zijn verstand niet bij. „Hoe kan een rechter het rechtvaardigen dat door de staat, puur omdat een van beide partners niet betaald werkt, aan mensen geld ontnomen wordt dat nodig is om in hun bestaansminimum te voorzien, en zich daarna nog rechter noemen?”

In samenhang met andere fiscale maatregelen is de afbouw van de overdraagbare heffingskorting er de oorzaak van dat eenverdienersgezinnen inmiddels tot zes keer zwaarder worden belast dan tweeverdieners met exact hetzelfde gezinsinkomen. Ter vergelijking: in 2009 (toen de stapsgewijze afbouw in gang werd gezet) was dat nog niet eens twee keer zo veel.

Met het belasten van inkomen naar draagkracht heeft dit volgens Teunissen weinig meer van doen. „Er gebeurt juist het tegenovergestelde. De staat creëert doelbewust zélf draagkrachtverschillen, namelijk door gezinnen die vóór belastingheffing nog precies hetzelfde gezinsinkomen hadden en dus ook dezelfde draagkracht, tot wel zes keer meer of minder te belasten.”

Draagkracht is als principe ingeruild voor ideologische doelstellingen, zoals de bevordering van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van vrouwen. Vooral heffingskortingen worden daarbij als sturingsmiddel ingezet. Want waar enerzijds de overdraagbare heffingskorting wordt afgebouwd naar nul, zijn de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (die tweeverdieners dubbel ontvangen) extreem verhoogd.

Teunissen: „Inmiddels lijkt het erop dat we met zijn allen in dienst zijn van de staat, die bonussen toekent voor wenselijk geachte activiteiten. Als je je leven niet inricht zoals de staat het wil, word je financieel afgeknepen, in de hoop dat je uiteindelijk het licht zult zien.”

Mensen worden zo gedwongen om ‘vrij’ te zijn, meent Teunissen. „Dat is een typisch marxistische gedachte en dus eigenlijk heel onliberaal. Het is daarom ironisch dat in de Tweede Kamer juist de SGP op dit punt het meest liberale standpunt huldigt. Dat hedendaagse liberalen, feitelijk dus nepliberalen, steunen dat de bevordering van de economische zelfstandigheid tegenwoordig overheidsbeleid is, komt misschien wel doordat het bedrijfsleven baat heeft bij die hoge arbeidsparticipatie: hoe meer mensen zich voor werk aanbieden, hoe lager de lonen kunnen zijn.”

U spreekt in uw cassatieberoep van een „beschavingsbreuk.”

„Kern van een rechtsstaat is de erkenning van de gelijkwaardigheid van ieder mens. De algemene heffingskorting heeft als doel om het bestaansminimum vrij te stellen van belasting. Omdat het voor de kosten van de eerste levensbehoeften niet uitmaakt of het inkomen binnen een gezin door één of twee personen wordt verdiend, is het vanzelfsprekend dat voor beide partners een heffingskorting geldt. Door niet-werkende partners die korting te ontnemen, heft de staat belasting over inkomen dat nodig is om in leven te kunnen blijven. In wezen wordt daarmee uitgesproken dat bij niet-werkende partners sprake is van ”levensonwaardig leven”, een term die in het derde rijk werd gebruikt ter aanduiding van mensen die nutteloos werden geacht voor de samenleving. Dat is een vergaande uitspraak, maar een andere kwalificatie is niet mogelijk. De belastingvrijstelling over het bestaansminimum wordt alleen afgeschaft voor hen die geen betaald werk verrichten, zélfs als iemand door handicap, ziekte of zorgtaken niet eens kán werken. Dan ga je mensen beschouwen als een middel om het doel, verhoging van de arbeidsparticipatie, te bereiken.”

U wilde aanvankelijk de gang naar het gerechtshof overslaan en direct procederen bij de Hoge Raad. Waarom?

„In de behandeling door de Hoge Raad heb ik meer vertrouwen omdat de advocaat-generaal dan verplicht is vooraf een inhoudelijk advies te schijven. In cassatie kan deze zaak dus niet worden afgedaan zoals de rechtbank en het gerechtshof dat hebben gedaan. Die hebben op mijn bezwaren niet eens inhoudelijk gereageerd. Zo wees het gerechtshof mijn stelling dat afschaffing van de heffingskorting in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (de vrijheid van inrichting van het gezinsleven, MtB) af met de overweging dat de afbouw niet in strijd is met artikel 8. Ja, zo kan ik het ook. Iets soortgelijks is gebeurd met mijn bezwaar dat de afbouw van de heffingskorting het verbod op arbeidsdwang schendt.”

Want dat doet het volgens u?

„Natúúrlijk. Volgens het hof is de heffingskorting bedoeld om, zoals vóór 2001 de belastingvrije voet, over de eerste levensbehoeften geen belasting te heffen. Tegelijk stelt het gerechtshof dat inkomsten van de verdienende partner niet aan de niet-verdienende partner kunnen worden toegerekend, óók niet om te kunnen voorzien in zijn of haar bestaansminimum. Zelf betaald werken is dan de enige mogelijkheid om in leven te blijven. Hoe kun je dan als rechter oordelen dat er géén sprake is van arbeidsdwang? Hedendaagse termen als „prikkelen” en „stimuleren” zijn niets anders dan verhullende, orwelliaanse aanduidingen voor het financieel afknijpen van burgers. Dwang is dwang, óók als het financiële dwang is.”

Tegelijk moet de verdienende partner de niet-verdienende partner volgens diezelfde wetgever wél onderhouden.

„Dat maakt de wet ook zo inconsistent. Alleen al dáárom moet de Hoge Raad hier een eind aan maken. Partners kunnen elkaar alle vormen van inkomen vrij toedelen, béhalve arbeidsinkomen. Ook is het inconsistent dat voor bijstand of toeslagen wordt uitgegaan van gezinsdraagkracht, terwijl bij de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van een individuele draagkracht die niet eens bestaat. De niet-verdienende partner in een eenverdienersgezin komt daardoor niet in aanmerking voor zorgtoeslag, ondanks dat het individuele inkomen nihil bedraagt en inkomen, zoals de rechter stelt, niet van de ene partner aan de andere mag worden toegerekend. Waar moet die partner dan van leven? Maar dan komt de inconsistentie: de wetgever, dezelfde dus die in de belastingwetgeving iedereen als individuen zegt te willen zien, verplicht wél de verdienende partner om op grond van het Burgerlijk Wetboek de andere partner te onderhouden. De verdienende partner is dus verplicht om te voorzien in het levensonderhoud van zijn niet-verdienende partner, terwijl over het daarvoor benodigde inkomen geen belastingvrijstelling wordt geheven. Dat is schandalig.”

En dan treft de afbouw van de heffingskorting ook nog eens alléén armere eenverdieners.

„Omdat eenverdieners met een vermogen van meer dan 200.000 euro, of met inkomen in box 2, aan de niet-verdienende partner vermogensinkomsten kunnen toerekenen, kan in die gevallen de heffingskorting geheel worden geïncasseerd. Armere gezinnen hebben deze mogelijkheid niet. Dat is niet alleen inconsistent, dat is zelfs pervers.”

Volgens het gerechtshof komt de staat een ruime mate aan beoordelingsvrijheid toe.

„Met de afschaffing van de heffingskorting voor niet-werkende partners wordt beoogd de arbeidsparticipatie te verhogen. Maar het is niet aan de staat om, als deze tenminste een rechtsstaat is, te bepalen hoe mensen hun leven inrichten. En dus ook niet om aan die levenskeuzen financiële voor- of nadelen te verbinden. Deze maatregel is een schending van de menselijke (gelijk)waardigheid; dat is de wezenlijke kern van grond- en mensenrechten en van het gebod van gelijke behandeling. Als die wordt geschonden, kan er van beoordelingsvrijheid geen sprake zijn. Rechters zouden daartegen juist bescherming moeten bieden.”

Het hof ziet de afbouw als een gevolg van de keuze om het belastingstelsel te individualiseren.

„Boeiend is wat het gerechtshof met die „individualisering” bedoelt. In ieder geval geen rechtstatelijke individualisering, waarbij de staat mensen de vrijheid geeft om zélf te bepalen hoe ze hun leven inrichten. Ik kan het niet anders zien dan als atomaire individualisering, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de staat als de publieke sfeer en de private sfeer van de maatschappij. Deze vorm van individualisering past in het door Rousseau verdedigde concept van een alomvattende democratie, die alleen individuen als staatsburgers en de staat als hun enige gemeenschap erkent, en waarin andere samenlevingsvormen als gevaarlijk worden beschouwd omdat die het individu afhouden van wat gezien wordt als het algemeen belang. Zo’n staat loopt het risico dat hij mensen die nog niet ‘verlicht’ zijn, en die zich dus niet uit eigen beweging voegen naar de visie van de staat, met belastingmaatregelen dwingt hun ‘vergissing’ in te zien.”

Het hof plaatst de hogere belastingdruk voor eenverdieners ook in het licht van houdbare overheidsfinanciën vanwege de vergrijzing.

„Dat is absurd. Ook zónder de afschaffing van de overdraagbare heffingskorting werd een eenverdienersgezin al veel zwaarder belast dan een tweeverdienershuishouden met hetzelfde gezinsinkomen. Dan is het vreemd dat je daarbovenop alleen eenverdieners nog eens extra gaat belasten. Bovendien zijn, terwijl eenverdieners aanzienlijk méér belasting én premies zijn gaan afdragen, tweeverdieners juist aanzienlijk mínder gaan betalen. Dat heeft met de betaalbaarheid van de overheidsfinanciën dus niets te maken. Het is puur ideologie.”

Wat drijft prof. mr. J. M. H. F. Teunissen?

Anders dan het stereotiepe beeld wellicht doet vermoeden –namelijk dat kostwinnersgezinnen rap aan het uitsterven zijn en alleen nog in de Biblebelt bestaan– woont hun felste verdediger niet in Barneveld, maar in Bunde (Limburg) en behoort hij evenmin tot de gereformeerde gezindte.

Wel raakte de Limburger al tijdens het schrijven van zijn proefschrift, ”Het burgerlijk kleed van de staat”, geïnspireerd door het werk van de gereformeerde filosoof en jurist Herman Dooyeweerd. Met name door diens noties over wat de staat wel en niet vermag. „Mijn belangrijkste drijfveer in de strijd tegen de wijze waarop de overheid mensen met fiscale maatregel ‘prikkelt’, is dat dit indruist tegen de scheiding tussen de publieke en de private sfeer. Die scheiding is wezenlijk voor een democratische rechtsstaat, omdat juist dit hem onderscheidt van een dictatuur”, zegt Jos Teunissen.

Door te sturen op hoe mensen hun leven moeten inrichten, behandelt de overheid hen als kleine kinderen: onvolwassen personen die niet weten wat het beste voor hen is. „Vrouwen die niet werken, hebben een verkeerd bewustzijn en moeten dus geholpen worden. Eigenlijk is dat heel neerbuigend gedrag. Wie ben je als staat om te denken dat jij het beter weet?”

Mensen moeten daarom de keuzevrijheid hebben om alleen of samen te verdienen, vindt hij. „Ik ben daarom ook niet vóór kostwinners of tégen tweeverdieners. Waar het mij om gaat, is dat de staat helemaal niets te maken heeft met hoe mensen hun leven inrichten. Gesteld dat je überhaupt een keuze hebt. Want als vader van een meervoudig gehandicapte dochter weet ik uit eigen ervaring dat dit niet voor iedereen geldt.”

Tot nu toe bleven uw inspanningen zonder succes. Waar haalt u de energie vandaan om door te gaan?

„Volgens mijn vrouw kan ik erg hardnekkig zijn. Ik denk dat ze gelijk heeft. Onlangs zei het kostwinnersechtpaar dat ik vertegenwoordig: „Jos, als we straks verliezen, dan heb je al dat werk voor niets gedaan.” Ja, dat is zo. Maar ik vind dat ik dit hoor te doen. Indien nodig tot aan de Europese rechter. Het móét gebeuren omdat het niet deugt. En omdat als ik het niet doe, niemand het doet.”

Kreeg u de afgelopen jaren steun aangeboden in uw strijd, bijvoorbeeld van fiscalisten en juristen uit de RD-achterban?

„Ik kan het me niet herinneren. In die zin is het wel een eenzame strijd. Fiscalisten zijn vooral bezig met het ontwerpen van belastingconstructies, niet met principiële vragen. En vakgenoten in het staats- en bestuursrecht zien wat ik doe vaak ook maar wat meewarig aan. Ze snappen niet waar ik het over heb. Ze willen het ook niet snappen. Sowieso is alles wat met geld te maken heeft in hun ogen weinig verheven. Ze praten liever over Zwarte Piet en zo.”

Lees hier alles over het thema eenverdiener.