Goed manoeuvreren tijdens formaties vergt van christelijke partijen stuurmanskunst

beeld ANP, Bart Maat
3

Medisch-ethische thema’s uitruilen en tot wetgeving overgaan? Of tijd winnen en netelige kwesties doorschuiven? Dat is hét dilemma waar CDA en ChristenUnie, die met VVD en D66 proberen Rutte III te vormen, dezer dagen voor staan. Hoe opereerden christelijke partijen vroeger tijdens kabinetsformaties, en met welk resultaat?

Gaan ze het redden, VVD, CDA, D66 en ChristenUnie? Dat zou zomaar kunnen. Al zag het er voor de zomer, op dinsdag 23 mei, bepaald niet naar uit.

Dat Segers die dag woedend en gekwetst uit het als aftastend bedoelde één-op-éénoverleg met Pechtold naar buiten stapte, viel én uit zijn lichaamstaal én uit zijn woorden af te leiden. Zó kon er van onderhandelingen geen sprake zijn, gromde hij. Als D66 van de ChristenUnie vooraf concessies en toezeggingen eiste op diverse ethisch gevoelige punten, haakte zijn partij subiet af.

Enkele weken later gingen de onderhandelingen tussen de vier partijen alsnog van start. Maar de inmiddels bijgelegde ruzie had wél, voor de zoveelste maal, laten zien dat formatiebesprekingen zwaar belast kunnen raken door zogeheten immateriële kwesties. In dit geval: de klaarmetlevenwetgeving, de embryowetgeving en de abortuspil.

En dat is niet verwonderlijk. Niet alleen raken zulke thema’s zowel seculieren als christenen diep in hun hart, ze zijn bovendien lastig in compromissen te vangen. Wil jouw partij een koopkrachtstijging van 3 procent en de mijne van 0 procent; oké, dan kiezen we toch samen voor 1,5? Maar een halve klaarmetlevenwet presenteren, dat gaat niet. En als je abortus moord vindt, kun je als politicus eigenlijk geen genoegen nemen met iets minder moorden.

Toch moeten onderhandelaars in hun regeerakkoord ook over déze thema’s afspraken maken. Zoals CDA, PvdA en ChristenUnie in 2007 deden, toen ze vastlegden dat ze ten aanzien van het kweken van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek geen verruiming zouden toestaan. Of zoals CDA en VVD in 1977 deden, toen ze afspraken dat er dan toch maar een wet moest komen die abortus provocatus uit het strafrecht haalde.

Formaties en ethisch gevoelige thema’s, in de Nederlandse parlementaire geschiedenis vormen ze een bijna vast begrippenpaar. Vier stellingen, onderbouwd met historische voorbeelden, over hoe die twee zich onderling verhouden:

1. Een kabinetsformatie kan een vliegwiel zijn voor de komst van geseculariseerde wetgeving

Wil je als politieke partij ten gerieve van jouw kiezers een puntje scoren? Jouw stokpaardje berijden, hoewel andere partijen aan dat thema slechts matig hechten? Dan is een formatie dé gelegenheid de zaak te fiksen. Neem het door D66 zo vurig gewenste homohuwelijk. Keek Nederland in 1998 reikhalzend naar deze vernieuwing uit? Niet direct. Zou het er zonder het regeerakkoord van paars II zo snel gekomen zijn? Vast niet. Maar de geslepen en vaardige politicus Dittrich, die het kabinet-Kok I –ondanks meerdere aangenomen Kamermoties– op dit punt maar niet in beweging kon krijgen, zag tijdens de formatie van Kok II zijn kans schoon.

Zelf zag PvdA’er Kok aanvankelijk weinig in het instituut homohuwelijk; diverse van zijn partijgenoten evenmin. In de VVD bestond eveneens een minderheid die verre van enthousiast was. Mede daardoor ondernam het eerste paarse kabinet nagenoeg niets om het homohuwelijk tot stand te brengen.

Maar meningen kunnen in de loop der tijd worden bijgesteld. En belangrijker nog: bij elke volgende formatie kunnen partijen opnieuw elk onderwerp inbrengen dat zij willen. Als alles dan in de pot ligt, is het vervolgens een kwestie van ”jullie wat en wij wat”.

En zo bleek het op de 29e mei 1998 voor D66 toch gewoon appeltje-eitje. „En?” vroeg Dittrich verwachtingsvol aan partijgenoot en onderhandelaar De Graaf, toen deze na de formatiesessie van die dag het gebouw van de Eerste Kamer verliet. „Geregeld”, antwoordde deze. „Binnen no time. Wallage noch Bolkestein maakte er bezwaren tegen. Ook Kok sprak geen veto uit.” Op diezelfde dag viel ook het besluit om een euthanasiewet in te dienen.

Kortom, de formatie van 1998 vormde op beide genoemde terreinen een beslissend moment. Daarna was het nog slechts een kwestie van de zaken uitrollen. Het homohuwelijk werd in het jaar 2000 in beide Kamers aangenomen. Ook de euthanasiewet passeerde in datzelfde jaar het parlement.

2. Een paars land krijgt niet vanzelf paarse wetten

Werd Nederland pas een paars land bij het aantreden van paars I (VVD, PvdA en D66) in 1994? Wie de geschiedenis kent, weet beter. De seculiere fracties konden in Nederland al vanaf de jaren zeventig bogen op een Kamermeerderheid. De eerste aanzetten voor het legaliseren van abortus en euthanasie vanuit de Tweede Kamer dateren dan ook al van decennia geleden. Bewindspersonen van het CDA of zijn voorgangers –KVP, ARP en CHU– probeerden af te remmen, te vertragen en bij te sturen vanuit het kabinet; overigens met wisselend resultaat.

Een greep uit het verleden: De PvdA-Kamerleden Lamberts en Roethof presenteerden in 1970 een initiatiefwet waarin een abortus gold als een normale, medische verrichting die artsen zonder vrees voor strafvervolging konden uitvoeren. De KVP-ministers Van Agt en Stuyt kwamen daarop vlug met een eigen, strenger wetsontwerp, waarna de VVD als coalitiepartij haar steun aan de PvdA-initiatiefwet onthield. Een opsteker dus voor Van Agt.

Het kabinet-Biesheuvel viel echter vroegtijdig en tijdens het kabinet-Den Uyl I strandde het initiatief-Lamberts/Roethof in de Eerste Kamer door verdeeldheid in de VVD. Zodoende raakte Van Agt in 1981 opnieuw bij de besluitvorming over abortus betrokken; eerst tijdens de onderhandelingen met PvdA en D66 over Den Uyl II en daarna tijdens onderhandelingen met de VVD over Van Agt I. In die periode, dus ruim tien jaar na zijn eigen eerste wetsontwerp, ging hij overstag. Hij stemde in met de komst van de huidige, liberale abortuswet; overigens met zeer gemengde gevoelens. „Het resultaat van Van Agts strijd was pover. Vuile handen en een wet zonder norm”, luidt de conclusie in ”Tour de Force”; de biografie over Van Agt.

Nog een memorabel stukje geschiedenis: CDA-premier Lubbers gooide in 1986 zijn volle gewicht in de schaal om de komst van een liberale euthanasiewet te vertragen. Een initiatiefwet, aanhangig gemaakt door D66-Kamerlid Wessel-Tuinstra, dreigde de steun te krijgen van coalitiepartij VVD. In het NOS-journaal liet Lubbers weten dat de regering de wet niet zou ondertekenen. Voor de VVD was het een helder signaal. De partij koos voor uitstel; de stemmingen over de D66-wet werden over de Kamerverkiezingen van 1986 heen getild.

Tijdens de coalitieonderhandelingen over de vorming van Lubbers II sprak de CDA’er in 1986 opnieuw het machtswoord. De CDA-onderhandelaars waren er al mee akkoord gegaan dat er vrije stemmingen zouden komen over de wet-Wessel-Tuinstra als CDA en VVD niet binnen zes maanden na het advies van de Raad van State knopen konden doorhakken. Het kabinet zou een door beide Kamers aangenomen wet ook ondertekenen, aldus het conceptregeerakkoord, maar op last van Lubbers werd die passage geschrapt.

De ministers Korthals Altes (VVD) en Brinkman (CDA) sleutelden vervolgens een compromis in elkaar dat minder ver ging dan wat D66 voor ogen stond, maar dat de bestaande praktijk –met vele honderden euthanasiegevallen per jaar; veelal bij terminale patiënten– wel legitimeerde. Door de vroegtijdige val van Lubbers II werd de regeling overigens niet van kracht; dat gebeurde pas tijdens Lubbers III (CDA/PvdA). De PvdA nam daarbij genoegen met een lichte aanpassing, maar de kern van de regels uit Lubbers II bleef ongewijzigd. Euthanasie op terminale patiënten bleef in beginsel strafbaar, maar het openbaar ministerie mocht afzien van strafvervolging als bleek dat de arts zorgvuldig te werk was gegaan.

De huidige, paarse euthanasiewet kwam er pas in 2000, toen het CDA niet in de regering vertegenwoordigd was.

De –voorlopig– laatste CDA’er die zich in de verzetstraditie van Van Agt/Lubbers schaarde, was Balkenende. Hij greep in tijdens de formatie van het kabinet-Balkenende I (CDA, LPF, VVD), toen een paarse Kamermeerderheid overigens ver te zoeken was. Terwijl de formatiebesprekingen in 2002 al liepen, moest de Senaat nog besluiten of hij de Embryowet van minister Borst wel of niet zou goedkeuren. De wet kon zo worden geïnterpreteerd dat een nieuw kabinet, uiterlijk vijf jaar na het van kracht worden van die wet, een regeling moest treffen om het voor onderzoeksdoeleinden kweken van embryo’s onder voorwaarden toe te staan. Het CDA rekende er min of meer op dat de VVD in de Eerste Kamer de wet vanwege deze onduidelijkheid zou afstemmen. Toen dat niet gebeurde liet Balkenende in het akkoord vastleggen dat zijn eerste kabinet hoe dan ook zou vasthouden aan het kweekverbod. Dit verbod is nog steeds van kracht.

„Bij de medisch-ethische kwesties blijkt keer op keer dat de verwerping van een universele ethiek ten aanzien van vraagstukken van leven en dood onontkoombaar leidt tot een ethiek van het ”nog niet””, verzuchtte oud-CU-leider Rouvoet in 2000.

Hij vervolgde: „Absolute grenzen aan het menselijk ingrijpen in het leven worden niet gesteld, bepalend voor de inhoud van wettelijke regelingen is wat door de bevolking in meerderheid aanvaardbaar wordt gevonden.” De geschiedenis geeft hem geen ongelijk: paarse wetten komen niet vanzelf, maar een paars land krijgt ze uiteindelijk wel.

3. Christelijke partijen kúnnen zaken tegenhouden, maar daarna komen die vaak versneld op de politieke agenda terug

Als een christelijke minderheid liberale wetgeving wil tegenhouden of vertragen, is de formatie daarvoor een uitnemende gelegenheid. Lubbers en Balkenende maakten ruimschoots gebruik van die wetenschap, maar ook daarna kwam een vergelijkbare aanpak nog regelmatig voor. Zo wist de SGP in en na 2010 –zonder dat deze partij aan de formatie deelnam en zonder dat er ook maar iets op papier werd vastgelegd– te bewerkstelligen dat het kabinet-Rutte I geen wetten zou verruimen over abortus en euthanasie, de gewetensbezwaarde trouwambtenaar en het blasfemieverbod, of over eventuele homoseksuele docenten op christelijke scholen en de zondagsopenstelling van winkels.

Niet dat zich in de regeerperiode 2010-2012 op ethisch gevoelige terreinen helemaal geen verschuivingen voordeden. De start van de stichting Levenseindekliniek konden ook Van der Staaij en de zijnen niet tegenhouden. Evenmin als het besluit van minister Schippers (VWS) om embryoselectie toe te staan voor onder meer de ziekte van Huntington, een aandoening die de dragers van dat gen mógelijk kunnen gaan krijgen. Maar in grote lijnen werkte het stille gedogen door de SGP wel.

Dat wil zeggen: zolang het duurde. Want het regeerakkoord van VVD en PvdA was nog maar net gepresenteerd, of Rutte gaf op een VVD-partijcongres aan dat zijn tweede kabinet nu gelukkig „het gaspedaal” kon „intrappen” als het ging om de immateriële agenda. En inderdaad, in de jaren daarna gingen de seculiere partijen, die twee jaar vast hadden gezeten in een door de SGP veroorzaakte file, plankgas. De gewetensbezwaarde trouwambtenaar werd, in overdrachtelijke zin, de nek omgedraaid, het blasfemieverbod geschrapt en de zogeheten enkelefeitconstructie uit de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) gesloopt.

4. In dit tijdsgewricht samenwerken met seculiere partijen is voor christelijke partijen geen ”mission impossible”.

De euthanasie-, de abortus- en de embryowet; voor de seculiere partijen zijn het verworvenheden waaraan niet mag worden getornd. Aanpassingen zijn alleen bespreekbaar als deze erop zijn gericht de wetten te verruimen. Het is geen geheim dat VVD en D66 voorstander zijn van ruimere regels voor euthanasie en hulp bij zelfdoding, geen bezwaar hebben tegen het verstrekken van abortuspillen door huisartsen en een eind willen maken aan het verbod op het kweken van embryo’s voor onderzoek. Biedt samenwerken met seculiere partijen dan nog wel enig perspectief voor CDA en ChristenUnie?

Het antwoord is: Ja, en wel om twee redenen. De eerste is dat uitstel van besluitvorming ook voor seculiere partijen soms heel goed bespreekbaar is. Toen de VVD in 1986 de komst van een euthanasiewet parkeerde, had dat de volle instemming van toenmalig justitieminister en VVD-partijcoryfee Korthals Altes. In zijn recent verschenen memoires schrijft hij: „Een van de lessen die ik uit de schoolstrijd had getrokken was dat het onverstandig is het confessionele deel van ons volk een wapen in handen te geven waarmee het liberalen en socialisten jarenlang zou bestrijden met de overtuiging en hardnekkigheid die met geloofsijver gepaard plegen te gaan. De abortuswet van 1 mei 1981 had vredestichtend gewerkt. Zó moesten wij ook het euthanasievraagstuk in wetgeving zien te regelen.” Kortom, tijd kopen is een tactiek waar ook seculiere partijen soms voor openstaan.

De tweede reden is dat christelijke partijen zich nog altijd sterk kunnen maken voor praktische verbeteringen wanneer het aanscherpen van wetten geen optie meer is. Zo kan het begrip zelfbeschikking ook worden gebruikt om te beklemtonen dat er voor terminale patiënten goede palliatieve zorg moet zijn, of voor suïcidale patiënten goede zelfmoordpreventie. Óf, dat ongewenst zwangere tienermeiden die hun zwangerschap willen uitdragen hulp verdienen bij het vinden van goede huisvesting.

Één ding is dan ook zeker: dat het VVD, CDA, D66 en de ChristenUnie niet ontbreekt aan gespreksstof over medisch-ethische thema’s staat vast.