Gezant voor geloofsvrijheid volgt trend in wereld

Van Helvert. beeld RD, Anton Dommerholt

Door te pleiten voor het aanstellen van een speciale gezant voor geloofsvrijheid volgt de Tweede Kamer slechts een internationale trend. Nederland is op dit punt nu eens geen gidsland; eerder hekkensluiter.

Nederland moet hoognodig een „speciaal gezant voor de vrijheid van geloof en levensovertuiging” krijgen, betoogde CDA-Kamerlid Van Helvert woensdag in het Kamerdebat over de begroting van Buitenlandse Zaken. Omdat een meerderheid hem steunde, gaat zo’n gezant er vast komen.

Heeft de coalitie in het regeerakkoord niet opgeschreven „dat zij in het buitenlands beleid op wil komen voor kwetsbare groepen, zoals vervolgde christenen?”, betoogde Van Helvert. Dan moet zij dit ook concreet maken, poneerde de parlementariër, die daarom –gesteund door Voordewind (CU) en Van der Staaij (SGP)– een motie aankondigde waarin hij om zo’n speciale gezant vraagt.

Boeiend was dat hij zijn seculiere coalitiegenoten gemakkelijk meekreeg. Als hij Sjoerdsma (D66) eerst maar even wilde verzekeren van het feit dat zo’n gezant ook op zou komen „voor niet-gelovigen die vervolgd worden” en als hij tegenover Koopmans (VVD) eerst maar even wilde bevestigen dat zo’n gezant zich ook zou gaan inzetten „voor het afschaffen van blasfemiewetten.”

Wat Van Helvert grif toezegde. En wat hem gemakkelijk afging na een week waarin de Pakistaanse Asia Bibi, typisch een slachtoffer van een blasfemiewet, opnieuw het wereldnieuws haalde als hét symbool van eerder groeiende dan afnemende golven van christenvervolging.

Dat minister Blok in deze wens van een Kamermeerderheid gaat meebewegen, ligt voor de hand. Jawel, vorige week maandag sputterde hij nog tegen toen Van Helvert in een Kameroverleg over mensenrechten precies hetzelfde voorstel deed. „We hebben toch al een mensenrechtenambassadeur?”, aldus Blok. Die kon het bevorderen van geloofsvrijheid als een „onderdeel van mensenrechten” toch gewoon meenemen?

De christelijke fracties kunnen dát argument echter met gemak weerleggen. In de eerste plaats omdat die manier van redeneren nu juist laat zien wat de blinde vlek van Nederland is. Ons land is één van de meest seculiere samenlevingen ter wereld in een tijd dat, wereldwijd gezien, de rol van religie alleen maar toeneemt. Dat maakt dat Nederland en meer specifiek de ambtenaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken, het gevaar lopen van, aldus Van Helvert, „religieus analfabetisme.” Op het terrein van onze buitenlandse politiek onderschatten we stelselmatig het belang van godsdienst. Nederland heeft een aidsambassadeur, een klimaatambassadeur, en wat niet al. Maar op het idee van een godsdienstambassadeur komen we blijkbaar slechts met grote moeite. De gezant voor godsdienstvrijheid van de EU, Jan Figel, moest ons land er althans recent expliciet om vragen, omdat hij het als een versterking van zijn slagkracht zou ervaren als hij in Nederland een vaste functionaris zou hebben om mee te overleggen en samen te werken.

Dat brengt meteen op het tweede argument dat christelijke partijen moeiteloos uit hun binnenzak kunnen trekken. Veel andere westerse landen, zoals Canada, de VS, Engeland en Denemarken, hébben immers al zo’n functionaris. Duitsland heeft deze post recent gecreëerd. Hongarije ging in feite nog een stap verder. Twee jaar geleden stelde dit land een (onder)staatssecretaris aan die speciale aandacht moet geven aan vervolgde christenen.

Zo bezien is Nederland, dat er in zijn internationale contacten nogal eens prat op gaat in ethische zaken een gidsland te zijn, in dit opzicht bepaald geen voorloper. Eerder een trendvolger.