Dreigen met geweld is grens die Kamerlid niet mag passeren

De Graaf (PVV). beeld ANP, Bart Maat.

In de keiharde confrontatie tussen DENK-Kamerlid Öztürk en PVV’er De Graaf overschreed de Kamer woensdag helaas wéér een gedragsgrens. Hoe lang duurt het nog voordat men elkaar te lijf gaat?

„Zwijg daar eeuwig over! Want ik zal je najagen. Dan ben je van mij! Afgelopen, klaar! En nou in de hoek.” Die ronduit agressieve woorden beet de woedende PVV-parlementariër Machiel de Graaf zijn DENK-collega Selçuk Öztürk woensdag toe in het Kamerdebat over bijstandsfraude door Turkse Nederlanders.

In zekere zin had Öztürk het ernaar gemaakt. In een persoonlijke aanval beschuldigde hij De Graaf min of meer van fraude. Min of meer, want strikt genomen verwees Öztürk slechts naar een artikel dat in 2012 in NRC Handelsblad verscheen. Daarin werd De Graaf in verband gebracht met mogelijke fraude.

ANP-58251148_webArib berispt Öztürk; De Graaf uit dreigement

Toch was de boodschap van het DENK-Kamerlid helder: meneer De Graaf, houd alstublieft uw mond over fraude door Turken. U bent op dit punt zelf in opspraak geweest en hebt dus geen schoon blazoen.

Niet verwonderlijk dat De Graaf boos werd. Dit is een onfrisse manier van debatteren. Niet alleen omdat een dergelijk op de man spelen een zakelijk beleidsdebat enorm vertroebelt. Ook omdat het hier gaat om een suggestieve manier van redeneren, waarbij de vraag of er bewijzen bestaan voor de fraude waarop wordt gehint, expres wordt gemeden.

Toch was het juist De Graaf die woensdag een nieuwe parlementaire fatsoensgrens overschreed. Want een ander Kamerlid „flapdrol”, „leugenaar” of „Alzheimerpatiënt” noemen? Persoonlijke aanvallen en vileine pesterijen? We kijken er aan het Binnenhof nauwelijks nog van op. Maar dreigen iemand fysiek te grazen te nemen, dát hebben we laatste jaren beslist niet meegemaakt.

Terecht daarom dat het PVV-Kamerlid, later in het debat, zijn excuses aanbood en zijn dreigende taal terugnam.

Terugblikkend op dit vervelende en beschamende incident moeten we ons overigens hoeden voor de te algemene conclusie dat het er in de landspolitiek alsmaar grover en agressiever aan toegaat. Ook in de 19e en 20e eeuw was het bij tijden bal. Zo konden collega’s het markante Kamerlid Van Dam van Isselt er in 1846 maar ternauwernood van weerhouden om een andere parlementariër, door wie hij zich in zijn eer voelde aangetast, mee te tronen naar de duinen, waar hij met hem wilde duelleren.

Een reëler beeld van de werkelijkheid krijgen we als we het verleden zien als een golfbeweging. Daarin wisselen zakelijke en gematigde perioden, denk aan de no-nonsejaren van Lubbers of de paarse kabinetten van Kok, zich af met ideologisch gepolariseerde en emotiegedreven tijden, zoals de jaren zestig en zeventig of het tijdperk na de moord op Fortuyn. Tijdens die ‘warme’ golven gaat het er in Den Haag heter aan toe dan tijdens de ‘koude’.

Neemt niet weg dat het parlement óók in gepolariseerde tijden haar grenzen zal moeten bewaken. Een altijd in acht te nemen grens is die van fysieke dreigementen. Een volksvertegenwoordiging die deze grens overschrijdt, maakt zichzelf als instituut in het publieke en politieke debat eigenlijk monddood. Want hoe kun je met nog met gezag debatteren over wetten en wetshandhaving als je als volksvertegenwoordiger basale omgangsvormen niet in acht neemt en (bijna) eigen rechter gaat spelen?