Toespraken koninklijke uitvaarten gebundeld

Rouwtoespraken gebundeld. beeld De Banier
5

„Helaas! Dat hart klopt niet meer. De uiterste liefde, de nauwgezetste zorg, de ervarenste kunst die zijn slagen geteld heeft, zijn niet in staat geweest te beletten, dat het stilstond – op Gods tijd. Wij hebben onzen Koning niet meer.” Fragment uit de rouwdienst na het overlijden van koning Willem III in 1890.

Spreker was de 76-jarige prof. dr. N. Beets, als schrijver bekend geworden onder de naam Hildebrand. De koning had waardering voor hem, en koningin Emma deelde die mening. Daarom werd Beets gevraagd te spreken tijdens de rouwsamenkomst op Het Loo, vier dagen voordat het lichaam in de Delftse Nieuwe Kerk werd bijgezet in de koninklijke grafkelder.

Bij die plechtigheid sprak dr. C. E. van Koetsveld, die eveneens bekend was door zijn publicaties. Hij was al 71 toen hij hofprediker werd. In twaalf jaar tijd leidde hij vijf uitvaartdiensten van leden van de koninklijke familie. Dat was niet het enige waartoe hij werd geroepen: in die periode ging hij ook voor in een doopdienst, van prinses Wilhelmina.

Handgeschreven

De overdenkingen die zijn uitgesproken bij de uitvaarten van de Oranjevorsten en -vorstinnen en hun echtgenoten in de periode sinds Nederland in 1815 een koninkrijk werd, verschijnen deze week in boekvorm. De bundel ”Koninklijk afscheid” is samengesteld door David Hakkenberg. De Apeldoorner begon in 2009 met het Initiatief Oranje-Nassau in Berlijn, dat de geschiedenis van het Oranjehuis in de Duitse hoofdstad levend wil houden.

In het boek bracht hij de rouw- en graftoespraken bijeen die zijn gehouden na het overlijden van een twaalftal Oranjes: koningin Wilhelmina (1774-1837), koning Willem I (1772-1843), koning Willem II (1792-1849), koningin Anna Paulowna (1795-1865), koningin Sophie (1818-1877), koning Willem III (1817-1890), koningin Emma (1858-1934), prins Hendrik (1876-1934), koningin Wilhelmina (1880-1962), prins Claus (1926-2002), koningin Juliana (1909-2004) en prins Bernhard (1911-2004).

Sommige van deze overdenkingen zijn eerder gepubliceerd. Nu zijn ze voor het eerst gebundeld. Hakkenberg trof een aantal toespraken in handgeschreven vorm aan in het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Hij schreef korte biografische schetsen over de overledenen en de sprekers en vermeldt ook tal van wetenswaardigheden over de uitvaarten.

Theosofisme

De Grondwet van 1814 bepaalde dat de koning de hervormde godsdienst zou belijden. Om het met de titel van een boek van A. J. Klei te zeggen: ”De koningin is lekker hervormd!” Dat zegt nog maar ten dele iets over de overtuiging van de Oranjes. „Hun geloofsbeleving, hun opvattingen en hun ethiek worden mede bepaald door de context waarin zij leven”, geeft Hakkenberg aan. „Ook zij waren en zijn kinderen van hun tijd.”

Over het geloof van een aantal telgen uit vroegere generaties schreef B. Hooghwerff ”Op U zo wil ik bouwen” en ”Koningskinderen”. Hakkenbergs boek gaat over de achterliggende twee eeuwen. „Elke Oranje gaf persoonlijk invulling aan het geloof en combineerde daarbij elementen uit andere religieuze tradities”, stelt hij. „Zo stonden Wilhelmina en Hendrik niet alleen open voor de oecumene van kerken, maar ook voor het theosofisme (een mystiek systeem met boeddhistische trekken en geloof in reïncarnatie, LV). Daarmee legden onder anderen zij de kiem voor de hang van hun dochter Juliana naar het pacifisme en het esoterische.” Na haar abdicatie schreef prinses Wilhelmina vijf religieuze brochures.

Het staatshoofd moest dan wel tot de Nederlandse Hervormde Kerk behoren, dat gold niet voor zijn of haar wederhelft. Anna Paulowna, eega van koning Willem II, mocht Russisch-orthodox blijven, zo was in haar huwelijkscontract vastgelegd. In Paleis Kneuterdijk en bij Paleis Soestdijk had ze daarvoor haar eigen kapel. Toen ze werd bijgezet in de koninklijke grafkelder sprak echter de hervormde hofprediker dr. G. Ruitenschild. Hij was meermalen bij het rouwen en trouwen van Oranjes betrokken, en die taak was volgens zijn zoon „moeielijk, veelomvattend en gewichtig.”

Boodschap

De voorgangers in de rouwdiensten lieten zich kennen uit de inhoud van hun toespraak. Hofprediker ds. I. J. Dermout zei in 1837 in de Haagse Kloosterkerk bij het overlijden van de vrouw van koning Willem I stellig: „Ook Zij, wier gedachtenis wij hebben gezegend, behoort den Heere toe. Zijne stem zal Haar van onder het gedenkteeken, dat Haar bedekt, weder te voorschijn roepen en Haar eene plaats toewijzen onder de Godgetrouwen.”

Prof. Beets was voorzichtiger toen hij zich tot de weduwe en de dochter van de veelbesproken koning Willem III richtte: „Moge de barmhartige God hem in genade tot Zich genomen en een plaats gegeven hebben in het Vaderhuis, daar vele woningen zijn.”

Hofpredikers zijn er sinds de periode van koningin Wilhelmina niet meer, maar ds. C. A. ter Linden had een soortgelijke plaats: hij leidde dertien koninklijke plechtigheden. Hij nam de drie zonen van koningin Beatrix belijdenis af, bevestigde hun huwelijken, doopte vier van Beatrix’ kleinkinderen en leidde de begrafenissen van de prinsen Claus, Bernhard en Friso. Kennelijk voelden de leden van de koninklijke familie zich thuis bij de boodschap die hij bracht. Een boodschap die door rechtstreekse uitzending via de televisie veel verder klonk dan de woorden van Ter Lindens voorgangers.

Het boek ”Koninklijk afscheid” wordt donderdag 11 april gepresenteerd in het gebouw van de Erdee Media Groep, Laan van Westenenk 12, Apeldoorn. Dr. Paul Rem, kunsthistoricus en conservator op Paleis Het Loo, spreekt over ”Een koninklijke uitvaart in Apeldoorn”.

Koninklijk afscheid. De overdenkingen bij de uitvaarten van de koningen, koninginnen en prinsen-gemaal van het Huis Oranje-Nassau. Met biografische schetsen van vorsten, vorstinnen en voorgangers; David Hakkenberg, met bijdragen van Leon van den Broeke; uitg. Banier, Apeldoorn, 2019; ISBN 9789087180836; 216 pag.; € 29,95.