Crisis rond de Luxemburgse troon

Groothertogin Marie Adelheid van Luxemburg. Zij trad af in 1919. beeld collectie Bearn Bilker
3

In Luxemburg denkt niemand eraan om de republiek uit te roepen en de groothertog weg te sturen. Honderd jaar geleden was dat wel anders. In 1919 trad de regerende groothertogin af om erger te voorkomen.

Daar was in feite decennialang een sluimerende crisis met zo nu en dan een uitbarsting aan voorafgegaan. Toen Napoleon in 1815 verslagen was en de overwinnaars op het Congres van Wenen bepaalden hoe de kaart van Europa eruit zou komen te zien, moest er nog een compensatie voor het Huis van Oranje-Nassau worden gevonden. De Oranjes hadden nog altijd Nassaugebied in Duitsland waarover ze regeerden.

Het Congres van Wenen bepaalde dat alle Nassaulanden verenigd zouden worden tot hertogdom Nassau, met de Duitse tak Nassau-Weilburg als hertog. Dan kon Luxemburg als compensatie aan het Nederlandse koningshuis gegeven worden. Zo werd Luxemburg verenigd met Nederland onder één kroon in een personele unie. Het waren twee landen met elk een eigen regering, maar de Nederlandse koning was tegelijkertijd groothertog van Luxemburg. Vooral koning Willem II maakte zich populair in Luxemburg. Van hem staat er in de stad een groot standbeeld.

Emma’s bemoeienis

Koning Willem III stuurde zijn broer prins Hendrik als stadhouder. Ook dat ging prima. De huidige groothertog Henri is naar hem genoemd. Maar in 1890 ging het mis. Toen stierf koning Willem III zonder mannelijke opvolging. In Luxemburg was de opvolging in de vrouwelijke lijn niet toegestaan. Er werd toen teruggegrepen op het familieverdrag van de Nassaus uit 1783, waarin staat dat als een tak in mannelijke stam uit zou sterven, de opvolging naar de andere tak gaat.

Dat was hier het geval. Hertog Adolph van Nassau, die tot 1866 hertog van genoemd hertogdom was geweest (toen werd Nassau ingelijfd bij Pruisen), werd van stal gehaald om groothertog te worden.

Maar dat ging allemaal niet zonder slag of stoot. Er waren veel Luxemburgers die vonden dat ze het goed hadden onder het Huis van Oranje. Waarom moest er nu een onbekende hertog uit Duitsland worden gehaald? Zij wilden de wet wel veranderen, zodat de jonge koningin Wilhelmina groothertogin van Luxemburg zou worden. Toch zag haar moeder, koningin Emma, dat niet zo zitten. Ze had er al van tevoren op aangestuurd dat, mocht haar man Willem III overlijden, haar oom Adolph van Nassau groothertog zou worden.

Achteraf gezien kon Emma het weleens bij het rechte eind gehad hebben. Want je moet er niet aan denken dat Wilhelmina bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 groothertogin van Luxemburg geweest zou zijn: het landje werd immers totaal onder de voet gelopen door de Duitse legers. Nederland was neutraal. Hoe zou Wilhelmina dan gereageerd moeten hebben zonder Nederland in de problemen te brengen?

Rooms

Adolph liet zich inhuldigen als groothertog en voortaan regeerde het Huis Nassau in Luxemburg. Adolph was er niet zo vaak, hij was al oud. Hij was een fanatiek jager en vertoefde graag op zijn kasteel Hohenburg in Beieren.

Adolph en zijn vrouw Adelheid Marie, prinses van Anhalt, hadden een dochter en een zoon, Willem. Deze zoon had een zwakke gezondheid. Hij was nu wel troonopvolger van Luxemburg geworden, maar was nog steeds niet getrouwd. Al een paar jaar wenste hij te trouwen met Maria Anna van Braganza, infanta van Portugal. Deze was rooms-katholiek en vader Adolph stond absoluut niet toe dat iemand van het oerprotestantse Huis Nassau met een roomse zou trouwen.

Maria Anna woonde met haar zusters in de buurt van Hohenburg, want ze behoorde tot de tak van de Portugese koninklijke familie die verbannen was en in Duitsland leefde. Willem weigerde naar een andere, protestantse prinses te gaan zoeken. Dus het werd penibel: zou met Willem dan het Huis Nassau uitsterven?

Zes dochters

Het geluk hielp het jonge paar een handje. Als groothertog van Luxemburg regeerde de familie over een rooms-katholieke bevolking. Dan zou een huwelijk met een katholiek wel goed uitkomen. Adolph was en bleef tegen, maar gaf uiteindelijk toe. Zo trouwde Willem in 1893 met zijn Maria Anna. Hij was toen 41, zij 32.

Met de paus was overeengekomen dat de dochters rooms- katholiek zouden worden gedoopt en de zoons luthers. Het liep echter allemaal anders. Er werd op 14 juni 1894 als eerste een meisje geboren: Maria Adelheid, of op zijn Frans: Marie Adélaïde. Dat bracht grote vreugde teweeg: eindelijk iemand van de eigen dynastie die in het land zelf was geboren. Anderhalf jaar later werd er weer een meisje geboren: Charlotte. Daarna kwamen Hilda (1897), Antonia (1899), Elisabeth (1901) en Sophie (1902). Zes dochters. Men kan zich de wanhoop voorstellen van de oude hertog Adolph, want hoe moest het nu verder met de Luxemburgse troonopvolging?

Nu had Adolph nog een halfbroer, prins Nicolaas van Nassau. Die meldde zich bij zijn broer en zei dat hij nu de rechtmatige erfgenaam was. En hij had wél een zoon –Georg graaf von Merenberg– en zelfs al een kleinzoon. Maar hoe hij ook zijn best deed, Adolph stond niet toe dat zijn broer de Luxemburgse troon zou beërven. Nicolaas was immers tegen de regels van het hertogelijke Huis van Nassau getrouwd met Natalia Alexandrovna Poesjkina, een gescheiden Russische, van lage adel, dochter van de wereldberoemde dichter Alexander Poesjkin. Dat huwelijk was morganatisch (beneden de stand) en daardoor had Nicolaas geen rechten meer. Hij had echter wel aanhangers in Luxemburg.

Verdeeldheid

Toen groothertog Adolph in 1905 stierf, volgde zijn zoon Willem IV hem op. Zijn gezondheid was erg zwak. Van hem kon niet meer worden verwacht dat hij zich volledig inzette voor het groothertogdom.

Nu was Nicolaas ook in 1905 gestorven en Willem IV kreeg met zijn neef Georg von Merenberg te maken, die zijn rechten als troonopvolger opeiste. De politiek in Luxemburg raakte verdeeld. Deze Merenberg had echter één groot nadeel: hij deed totaal geen moeite om geliefd te worden. Vanuit Duitsland legde hij steeds zijn aanspraken op tafel. Dat deed hij nogal onhandig en puur juridisch. De weinige aanhang die hij had, verloor hij dan ook snel.

Regentes

In 1907 liet Willem IV de troonopvolgingswet veranderen door het parlement. De Salische wet, die regelde dat de troonopvolging alleen via de mannelijke lijn kon gaan, werd afgeschaft. Nu mochten ook in Luxemburg vrouwen op de troon. Maria Adelheid profiteerde ervan. Mocht zij een zoon krijgen, dan moest de troonsopvolging via die zoon. Had ze geen kinderen, dan ging de lijn via haar zuster Charlotte verder.

In 1908 kon Willem IV al niet meer regeren. Zijn vrouw, groothertogin Maria Anna, werd regentes. Ze zou dat tot zijn dood blijven.

Deze jaren waren funest voor de zes dochters. Moeder had weinig tijd voor haar kinderen en Maria Adelheid moest veelal voor haar zusters zorgen. Moeder was hoofdzakelijk bezig met het verplegen van haar man, die verlamd was. In 1912 stierf hij.

De lijn ging nu over op zijn dochter, die toen 17,5 jaar oud was. Dat betekende dat moeder Maria Anna regentes bleef, nu voor haar dochter tot die meerderjarig was.

Vrouw op de troon

Op 18 juni 1912, toen ze 18 werd, besteeg Maria Adelheid de troon. Er volgde een moeizame periode. De groothertogin had alles tegen. Zo kwam er al gauw kritiek op haar hofhouding. Die zou bestaan uit allemaal Duitsers, die nog door Adolph meegenomen waren.

Maria Adelheid ging zich inhoudelijk met politieke kwesties bemoeien. Dat hadden haar voorgangers niet gedaan, maar die waren ook vaak afwezig of ziek. Zij wilde zich op haar werk storten en meende dat ze een oordeel moest vellen over allerlei zaken. Er speelde bijvoorbeeld een belangrijke onderwijskwestie. De staat wilde meer greep op het onderwijs, dat nogal onder invloed stond van de Rooms-Katholieke Kerk. Het parlement wilde vernieuwing en langere leerplicht. Boze tongen beweerden dat de groothertogin zich liet beïnvloeden door de clerus en dat zij daarom de wet steeds maar niet ondertekende.

Onder kritiek

Het ergste waar ze mee te maken kreeg, was het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, net toen ze twintig werd. Luxemburg werd door de Duitsers bezet. De linkse partijen –vooral de socialisten, die haar al steeds bekritiseerden– vertrouwden de groothertogin niet. Ze werd verdacht van sympathie voor de Duitsers. Dat kon onmiddellijk gelogenstraft worden, gezien ook haar verklaringen en haar moedige verzet tegen keizer Wilhelm II, die ze verweet haar kwetsbare landje overvallen te hebben. Verzet tegen de Duitse overmacht was zinloos, maar ze wenste absoluut niet dat Wilhelm II zijn hoofdkwartier in Luxemburg zou vestigen, wat de bedoeling was.

Maar Maria Adelheid ontving hem wel. Ze bezat natuurlijk niet de wijsheid van iemand die al lang geregeerd zou hebben. Haar karakter zat haar ook in de weg. Ze begreep de kritiek niet en zonderde zich af.

Tot overmaat van ramp werden twee zusters van haar verliefd op een Duitse prins, zoals Antonia, die nog wel met kroonprins Rupprecht van Beieren wilde trouwen, generaal-veldmaarschalk van het Duitse leger. Beroerder kon het niet. Dit alles werd haar zeer kwalijk genomen, zeker toen een familietelegram uitlekte waarin haar moeder Maria Anna meedeelde dat „Felix was gearriveerd voor Charlotte.” Dat betrof prins Felix van Bourbon-Parma, die meer dan gewone belangstelling had voor zijn nicht Charlotte. Aangezien hij officier was in het Oostenrijkse leger, viel ook dit verkeerd.

Abdicatie

Toen de oorlog voorbij was, kreeg Maria Adelheid het helemaal zwaar. De kritiek was niet van de lucht. De linkse partijen wilden haar kwijt. Alles werd uit de kast gehaald om haar te beschuldigen. In Duitsland en in Oostenrijk vonden revoluties plaats en werden de vorsten afgezet. Dat dreigde nu ook in Luxemburg te gebeuren.

Het parlement was diep verdeeld. Het zou beter zijn, zo werd haar voorgehouden, als ze afstand van de troon deed. Ze wachtte nog een discussie in het parlement af, maar er was geen houden meer aan. Toen er een grote demonstratie dreigde, trad ze af. Op 9 januari 1919 vertrok ze met haar moeder naar Zwitserland en vervolgens naar Duitsland.

Toch weer monarchie

Voor korte tijd werd de republiek uitgeroepen. De monarchie werd echter weer hersteld toen bleek dat zuster Charlotte de kroon wilde overnemen. Zij was uit ander hout gesneden.

Maria Adelheid was diep religieus geworden, overtuigd roomt-katholiek. Ze trad in bij een karmelietessenklooster in Modena. Dat kon zij niet aan: ze werd er ziek, verliet het klooster weer en kwam in een welzijnsorde in Rome terecht, waar ze in de keuken werkte. Ook daar werd ze ziek: ze leed aan maag- en darmstoornissen en had steeds koorts. Ze werd naar Hohenburg gebracht, waar ze op 24 januari 1924 op 29-jarige leeftijd overleed – ongehuwd, onbegrepen en verlaten. Ze werd bijgezet in het familiegraf in de kathedraal van Luxemburg.

Groothertogin met lef

Groothertogin Charlotte toonde karakter en had lef. Ze wist Luxemburg 45 jaar lang goed te leiden, waarbij zij de Luxemburgers vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog moed en inspiratie wist te geven. Pas onder Charlotte kwam er rust en stabiliteit voor het land zelf, voor de troon en voor het groothertogelijk huis.

Ze trouwde al in 1919 met haar neef prins Felix van Bourbon-Parma en verving meteen alle hoffunctionarissen door Luxemburgse dignitarissen. Haar zoon Jean, en nu haar kleinzoon Henri, traden in haar voetspoor. Rust, stabiliteit en een goede vertegenwoordiging van Luxemburg, dat zijn de juiste ingrediënten voor de geslaagde monarchie.