„Wie niet kan autorijden, kan ook
 niet met geld omgaan"

Hard op een rood stoplicht afrijden. beeld ANP, Koen Suyk

Aan de manier waarop mensen autorijden kun je afleiden hoe ze in het dagelijks leven met geld omgaan. In zekere zin geldt dat ook op landelijk niveau voor de politiek.

Voor deze vaststelling heb ik geen enkele andere onderbouwing dan mijn eigen observaties en persoonlijke analyse. De bewijslast is flinterdun, al weerhield dat me er niet van om ooit een heel hoofdstuk in een boek te wijden aan de hypothese dat mensen die niet kunnen autorijden óók niet met geld kunnen omgaan.

Wat bijvoorbeeld te denken van automobilisten die mij bij het naderen van een rood stoplicht zichtbaar geërgerd links en rechts inhalen, wanneer ik het gaspedaal loslaat en mijn auto rustig laat uitrollen. Daarmee houd ik netjes rekening met de regels omtrent Het Nieuwe Rijden (waar je overigens nauwelijks nog iets over hoort), en anticipeer ik ook op de verkeerssituatie in de verte.

Veel bestuurders rijden hard op een rood stoplicht of een stilstaande file af om vervolgens op het laatste moment heel hard te remmen. Al snel bedacht ik dat velen op dezelfde manier met hun aflossingsvrije hypotheek of hun pensioenregeling omgaan: ze denderen hun hele leven door zonder nadenken en komen pas rond de einddatum tot het besef dat alle lichten op rood staan.

Zelfs als er verder geen enkele wetenschappelijke correlatie zou bestaan tussen rijgedrag en financieel inzicht, is het een mooie metafoor. Wie welbewust 90 rijdt op de snelweg in een auto die in principe veel harder kan, zal waarschijnlijk ook de discipline kunnen opbrengen om van een inkomen van 3000 euro elke maand slechts 2500 euro uit te geven. Wie minder hard rijdt dan wettelijk toegestaan, zal wellicht ook geneigd zijn een minder hoge hypotheek af te sluiten dan het inkomen toelaat.

Dat probeer ik me dus maar voor te houden wanneer ik voor de zoveelste keer wordt ingehaald door een met zijn hoofd schuddende medeweggebruiker. Hard op een rood stoplicht afrijden geeft de illusie van opschieten en misschien zelfs wel de illusie van controle. Je stopt immers niet voor een rood stoplicht omdat het op rood staat, maar omdat jij degene bent die hard remt.

Al deze zaken schoten door mijn hoofd bij de presentatie van het definitieve klimaatakkoord dat het vooral lijkt te moeten hebben van goede bedoelingen en dat concrete oplossingen op de lange baan schuift. Een van de snelste en goedkoopste maatregelen die dit kabinet per direct had kunnen nemen, betreft het op alle snelwegtrajecten verlagen van de maximumsnelheid naar 100 kilometer per uur. Daarmee zou jaarlijks in één klap 1,5 megaton aan CO2-uitstoot worden bespaard, terwijl het om geen enkele andere investering vraagt dan het overal ophangen van nieuwe gebodsborden.

De vraag is dus waarom het kabinet niet heeft gekozen voor deze direct toepasbare, relatief goedkope oplossing en deze zelfs vooraf taboe heeft verklaard. Komt dat doordat snelheidsbeperkingen electoraal gevoelig liggen en door sommige kiezers zullen worden beschouwd als een inperking van de persoonlijke vrijheid? Of speelt er stiekem toch weer een financieel motief mee doordat auto’s die netjes 100 rijden in plaats van 130 tot wel 30 procent minder brandstof verbruiken en dus ook navenant minder accijns opleveren voor de schatkist?

De auteur is schrijver en publicist. Reageren? hormann@refdag.nl