Wel of geen betaald werk, toch vrijwilliger

Gezin en werk
Dr. Marja Jager-Vreugdenhil. beeld RD
2

De bereidheid tot het verrichten van onbetaald werk is onder tweeverdieners binnen de gereformeerde gezindte bijna even groot als onder eenverdieners. Het verbaast dr. Marja Jager-Vreugdenhil, lector samenlevingsvraagstukken aan de Zwolse Viaa, niet. „Uit onderzoek is gebleken dat over de volle breedte leden van kerkgemeenschappen, meer dan de rest van Nederland, bereid zijn zich in te zetten voor anderen. Binnen, maar ook buiten de kerk.”

Uit onderzoek van het Reformatorisch Dagblad kwam naar voren dat van de eenverdieners 71 procent onbetaald werk verricht. Bij tweeverdieners is dat 66 procent. Een te klein verschil om er conclusies aan te verbinden, zegt de lector van Viaa (de voormalige Gereformeerde Hogeschool) in Zwolle.

Ze hield tien jaar geleden een onderzoek naar vrijwilligerswerk en mantelzorg binnen de GKV, NGK en de CGK en heeft zich ook verdiept in dezelfde vraagstukken binnen verschillende andere kerkverbanden. Recent hield Jager tijdens een symposium van NPV, Pro Life en Lelie Zorggroep een referaat over de toekomst van de zorg in een tijd van personeelskrapte en vergrijzing.

Uit het RD-onderzoek komt naar voren dat eenverdieners wel meer mantelzorg meer verrichten dan tweeverdieners. Qua vrijwilligerswerk voor kerk en school scoren beide groepen ongeveer gelijk. Eenverdieners maken iets meer uren in het vrijwilligerswerk.

Volgens de lector wordt het hogere aantal mantelzorgers mede bepaald door een groep die te maken heeft met zorg binnen het gezin. „Dat kan om kinderen gaan, maar ook om een van de beide partners.” Daarnaast is het niet altijd duidelijk waar vrijwilligerswerk overgaat in mantelzorg. „Zelf bezoek ik iemand als vrijwilliger al vijftien jaar. Eigenlijk zijn we vrienden geworden. Volgens de definities die beleidsmakers gebruiken zou je die bezoekjes ook een vorm van mantelzorg kunnen noemen, in het alledaagse leven doe ik dat niet. Het voorkomt in ieder geval dat er voor dat stukje werk een professional nodig is.”

Soms is er sprake van een enigszins grijs gebied of vragen mensen zich af of ze wel vrijwilliger zijn. „Zo worden taken voor kerk en school door velen niet eens als vrijwilligerswerk gezien.”

Overbelast

Het begrip mantelzorg kreeg pas brede bekendheid na de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2015, geeft Jager aan. „Daarvoor kenden veel mensen die zelf mantelzorger waren dat woord niet altijd.”

Ze weet dat vooral de groep die intensief mantelzorg verleent –meer dan een dag per week, langer dan een halfjaar– het risico loopt overbelast te raken. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen die zorgen voor een familielid dat ernstig ziek is, een chronische aandoening heeft of een beperking. „Zij hebben het niet zozeer moeilijk doordat eenverdieners op hun inkomen extra worden belast, maar ook doordat de zorg zelf gewoon zwaar kan zijn. Daarom zijn er in de Wmo afspraken gemaakt voor mantelzorgsteunpunten, speciaal bedoeld voor deze groep mensen.”

Onzichtbaar

Haar ervaring is dat oudere mensen de weg wel weten te vinden, maar dat er ook groepen mantelzorgers onzichtbaar zijn. Dan gaat het bijvoorbeeld om jonge mantelzorgers, migranten en ondersteuners van mensen met ggz-problematiek. De aanpak verschilt per gemeente, niet alleen bij de inrichting van het mantelzorgsteunpunt maar ook in de manier waarop ondersteuning wordt toegekend.

„Het is het mooiste als de situatie van niet alleen de zieke persoon, maar ook van zijn mantelzorger wordt meegenomen bij het aanvragen van ondersteuning. Dat zijn de mantelzorgers ook in beeld bij een sociaal team of een wijkcoach en kunnen zij zo nodig zelf ook ondersteuning krijgen. Maar dan moet dat wel gebeuren, zo’n gesprek waarin niet alleen iemands ondersteuningsvraag wordt besproken maar ook zijn hele situatie.”

Het verbaast de Viaa-lector dat er in de jaarlijkse rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau zo weinig aandacht wordt besteed aan het belang van kerkgemeenschappen in relatie tot mantelzorg en vrijwilligerswerk. „Bij mijn onderzoek was de deelname van kerkleden in vrijwilligerswerk meer dan 60 procent, tegen minder dan 40 procent daarbuiten. En dat is niet alleen kerkelijk vrijwilligerswerk. Kerkleden verrichten boven op hun taken in de kerk net zo veel inspanning buiten de kerken als de rest van Nederland.”

Vrouwen

Ze heeft geen cijfers over de meest recente situatie, maar heeft niet de indruk dat dit de afgelopen jaren sterk is veranderd.

De Jager noemt drie factoren die de grote inzet verklaren. „Deze mensen weten vanuit hun overtuiging dat het goed is om dit te doen en zijn onderdeel van de gemeenschap waarin het norm is dat je je ook voor anderen inzet. Bovendien blijkt uit enquêtes en interviews dat vrijwilligers meestal hun taken doen omdat ze ervoor gevraagd worden, en dat kan extra goed in een kerkgemeenschap.”

Vooral de hoge deelname van vrouwen valt op. „Zowel door vrouwen die bewust niet werken als vrouwen die een gedeeltelijke baan hebben. Een deel van hen stopt als de man met pensioen gaat, anderen gaan dan door of krijgen juist meer ruimte voor vrijwilligerswerk.”

Robots

De grootste bedreigingen voor het vervullen van vrijwilligers- en mantelzorgtaken zijn volgens Jager de secularisatie en de vergrijzing. „Aanvankelijk zul je nog niet zo veel merken. Veel ouderen blijven nog lang vitaal en zijn of worden vaak dubbele mantelzorger: voor hun oude ouders en voor de kleinkinderen. Als de generatie van de babyboomers eenmaal boven de 75 jaar is, wordt het spannend. De werkende beroepsbevolking neemt af, evenals het aanbod aan zorgpersoneel. Ik weet niet hoe we dat rond gaan krijgen.”

Een onzekere factor is volgens Jager ook het gegeven dat alle modellen zijn gebaseerd op een groeiende economie. „Arbeidsmigranten in de zorg inzetten, is een verschuiving van het probleem. Dat is wel een oplossing voor ons in Nederland, maar wie zorgt dan voor de ouderen die die migranten in eigen land achterlaten? Misschien is het een betere oplossing om technologie –robots, domotica– in te zetten, zodat je met minder mensen toch veel zorg kunt geven. Daarnaast is het zaak om met minder genoegen te nemen. Bij jongeren zie ik nu al een verschuiving optreden. Ze zijn minder gefocust op bezit.”

Mantelzorger en zzp’er

Hij is mantelzorger voor zijn vrouw Petri, die in 2006 te horen kreeg dat ze lijdt aan de ongeneeslijke spierziekte ALS. Gerbrand Mulder (40) heeft als gevolg hiervan afgezien van een verdere studie en een ander beroep gekozen. „Mij hoor je niet klagen, want we worden enorm geholpen. Maar de overheid zou wel meer rekening met ons kunnen houden.”

Familie Mulder. beeld RD

De inwoner van Barneveld, vader van twee dochters (13 en 15), heeft tussen de bedrijven door even tijd. „We waren tweeënhalf jaar getrouwd toen het ons opviel dat Petri haar linkerarm en -hand minder goed kon gebruiken. Ze was zwanger van onze jongste.” Na een reeks onderzoeken kwam in de zomer van dat jaar de diagnose ALS.

Gerbrand Mulder moest al snel bijspringen. „Helpen met haar jas aantrekken en persoonlijke verzorging zoals haren kammen. De fijne motoriek liet het afweten en ze kon een van haar armen niet meer omhoog houden.”

In het begin van hun huwelijk was zijn echtgenote werkzaam als secretaresse. „Tijdens de zwangerschap van de tweede is ze gestopt. Of een vrouw wel of niet werkt, vind ik een persoonlijke keus. Wij vonden dat we er zo veel mogelijk voor de kinderen moesten zijn.”

De assistent-accountant schrapte zijn voornemen om in de avonduren een hbo-studie accountancy te gaan volgen. „Je leven staat echt op z’n kop. De artsen gaven aan dat Petri’s levensverwachting drie tot vijf jaar zou zijn.”

De toenemende zorg voor zijn vrouw, de vele ziekenhuisbezoeken en de nodige stress dwongen hem van een werkweek van 40 uur naar een van 38 en daarna van 36 uur te gaan. In 2011 trok hij het niet langer. „Ik kreeg een burn-out. Achteraf gezien niet heel zwaar, maar toch. Van de ene week op de andere lag ik plat op de bank. Na een klein halfjaar lukte het weer om een hele week te werken, maar niet lang daarna ging het weer mis.”

Gerbrand Mulder hielp weleens een hovenier op zaterdagen en besloot als zzp’er aan de slag te gaan in tuinonderhoud. Eerst drie dagen per week en nog twee dagen kantoorwerk, later fulltime. „De buitenlucht en het fysieke werk deden me goed.” Hij werkt nu gemiddeld 36 uur per week. „Af en toe neem ik een dag vrij, onder meer voor ziekenhuisbezoeken of om bij te tanken.”

De situatie van Petri is in al die jaren verder achteruitgegaan. „Ze is nu echt heel hulpbehoevend en zit altijd in de rolstoel. Ze kan niet meer praten en kan alleen met behulp van een oogbestuurde computer nog communiceren. Ook eten lukt niet meer, daarom krijgt ze sondevoeding. De ademhalingsfunctie is sterk verminderd zodat ze zeker 22 van de 24 uur beademing nodig heeft.”

De mantelzorg vergde de eerste jaren nog meer dan nu. „De zorg nam steeds langzaam toe en veel deed ik eerst zelf. Zoals helpen bij het eten, toiletgang, douchen en allerlei kleine handelingen. Toen dat steeds meer werd hebben we hulp ingeschakeld. Toch kan er altijd iets gebeuren waardoor je moet helpen. Ook ’s nachts. Petri heeft bij alle handelingen hulp bij nodig. Maar via haar computer regelt ze ook veel zelf, zoals inkopen van boodschappen en kleding bijvoorbeeld.”

Hij voelt zich gesterkt door een uitgebreid netwerk. „Professionals, hulp vanuit de kerk, andere vrijwilligers en familie. Op aandringen van de hulpverlening is er ook drie avonden per week hulp in huis, zodat ik tijd voor mezelf en mijn hobby’s heb, zoals zingen bij een mannenkoor en natuurfotografie.”

Financieel is het geen vetpot, maar hij wil beslist niet klagen. „We zijn bewust niet verzekerd, maar altijd geweldig geholpen. Niet alleen door de kerk, maar ook door onbekende gevers. Dat is echt wel bijzonder.”

Het echtpaar schreef wel een brief toen de SGP bijna twee jaar geleden een oproep deed aan ‘zorgende’ eenverdieners om hun verhaal te doen. „Het is niet rechtvaardig om eenverdieners zwaarder te belasten en te morrelen aan de keuzevrijheid. En besef ook dat niet iedereen de keuze heeft om een- of tweeverdiener te zijn.”

De toekomst? „Tja, we weten niet hoe het zal gaan. We proberen bij de dag te leven. Maar moeten we ons niet allemaal afvragen hoe onze toekomst zal zijn?”

serie Gezin en werk

Een serie artikelen naar aanleiding van een RD-onderzoek naar een- en tweeverdieners. Deel 7.