Waarom belasting niet aftrekbaar is als gift

Belasting is niet aftrekbaar, een gift aan de kerk wél. beeld Wim van Vossen

Het lijkt vanzelfsprekend: het betalen van belasting is niet hetzelfde als het doen van een gift. Al kan het soms wel zo voelen, belasting betalen is in de basis iets heel anders dan vrijgevigheid.

Kennelijk is dit voor een aantal belastingplichtigen geen logica. Het gaf aanleiding om hierover te procederen bij de rechter, zo laat een zaak van het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch zien.

In deze zaak stond een belastingplichtige centraal die in haar aangifte inkomstenbelasting de betaalde loonheffing en gemeentelijke belastingen aftrekt van haar inkomsten als periodieke giften. De inspecteur weigert de aftrek. Belastingplichtige gaat in bezwaar en vervolgens in beroep bij de rechter. De uitkomst laat zich misschien al raden: het hof gaat niet mee met de stelling dat de betaalde belastingen een gift zijn. Naar mijn mening geheel terecht.

In de toelichting op deze uitspraak noemt het hof een aantal punten die een beeld geven van de kaders in het belastingrecht. Allereerst merkt de rechter op dat, wil sprake zijn van een gift, de definitie in Van Dale gevolgd kan worden. Dat legt gift uit als ”het geven” en ”geschenk”. In beide omschrijvingen ligt een vrijwilligheid besloten.

Ook de belastingwet zelf geeft een definitie van het begrip ”giften”: „bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat”. Maar van dit alles is volgens het hof bij de betaling van belastingen geen sprake. Dat zijn immers wettelijk afgedwongen betalingen aan de overheid.

Kerkelijke bijdragen

Wat betreft kerkelijke bijdragen is hierover bij de totstandkoming van de belastingwet die de giftenaftrek regelt, iets meer gezegd. De heersende opvatting was destijds dat afdracht aan kerken in zeker opzicht te beschouwen zijn als verplichte bijdragen. Die kunnen niet als gift in aanmerking komen, zonder een uitdrukkelijke regel.

Bij verplichte bijdragen moet behalve aan kerkelijke belastingen ook worden gedacht aan bijdragen aan levensbeschouwelijke instellingen en contributies. Een beperking op het recht op aftrek werd door het ministerie van Financiën als onwenselijk ervaren. Daarom is al jaren geleden het volgende in beleid vastgelegd: contributies die praktisch op één lijn zijn te stellen met donaties, maar in verband met hun vaste, min of meer verplichte karakter (omdat dat soms de voorkeur verdient boven losse giften) worden gelijkgesteld met niet verplichte bijdragen. Voorbeelden zijn het Nederlandse Rode Kruis en de Vrije Universiteit. Die regel geldt slechts voor zover er geen op geld waardeerbare aanspraken aan de contributie kunnen worden ontleend.

Daarbij kwam overigens de vraag aan de orde of kerkelijke belastingen nog afzonderlijk benoemd moesten worden in de wet. Het ministerie kwam tot de conclusie dat kerkelijke belastingen als zodanig niet of niet meer bestaan, maar dat wel min of meer vrijwillige bijdragen ter grootte van een bepaald percentage van het inkomen worden betaald. Deze bijdragen zijn niet afdwingbaar en worden dus gezien als een morele verplichting. Het hof leidt hieruit af dat met de term ”verplichte bijdrage” de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om wettelijk verplichte belastingen op dezelfde manier te behandelen.

De auteur is werkzaam bij BDO Belastingadviseurs. Reageren? fiscaal@refdag.nl