Spaanse economie groeit, maar lonen dalen

De economische crisis, en vooral de aanpak daarvan, heeft Spanje tot één van de meest ongelijke landen in Europa gemaakt. Steeds meer Spaanse werknemers leven onder de armoedegrens en kunnen niet in hun eerste levensbehoeften voorzien. beeld Lex Rietman

Na de zware jaren tussen 2009 en 2013 lijkt Spanje er helemaal bovenop, al merken werknemers daar weinig van.

De economie groeide de afgelopen jaren als weinig andere in de EU. Het bruto binnenlands product (bbp) nam vorig jaar toe met maar liefst 3,2 procent, evenals in 2015. En dit jaar ziet er al net zo rooskleurig uit, zeggen kenners.

Ondernemers hebben er volop de vruchten van geplukt. Maar terwijl de bedrijfswinsten in het eerste kwartaal met gemiddeld 10 procent omhoogschoten ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar, hebben werknemers weinig of niets gemerkt van de macro-economische verbetering.

Sterker nog, de lonen zijn in Spanje zelfs gedaald. Volgens cijfers van statistiekbureau INE kwam het gemiddelde brutojaarsalaris vorig jaar uit op 22.771 euro. Een daling van 0,3 procent ten opzichte van 2015. Hoe valt die salarisverlaging te verklaren in tijden van voorspoed?

Deze vraag dringt zich temeer op omdat de loonkosten per werknemer nog sterker daalden dan de lonen. Werkgevers profiteerden zowel van een lagere belasting- en premiedruk als van lagere lonen.

Salarismassa

Spanjaarden zijn sinds het uitbreken van de crisis in 2008 getuige geweest van een diepgaande verschuiving van inkomen uit arbeid naar inkomen uit kapitaal. Begin 2008 was de totale salarismassa 24 miljard euro groter dan het inkomen uit kapitaal. Inmiddels is dat verschil teruggelopen tot de helft.

Spanje is niet bepaald het enige land waar deze trend zich voordoet. Maar het fenomeen is hier bijzonder intens en lijkt voorlopig ook nog niet ten einde. Terwijl inmiddels zelfs directeur Mario Draghi van de Europese Centrale Bank de noodzaak van hogere lonen erkent, roepen de Spaanse ondernemersbonden dat loonsverhogingen de mooie groeicijfers in gevaar zouden brengen.

De rechtse regering van premier Rajoy heeft sinds haar aantreden in 2011 altijd goed geluisterd naar het bedrijfsleven, vooral naar het grootbedrijf. Met als gevolg spectaculaire winstcijfers voor de grootste ondernemingen.

Daar tegenover staan lagere salarissen en een daling van de koopkracht voor een flink deel van de Spaanse bevolking. Volgens een recent rapport van Oxfam-Intermón bedroeg de gemiddelde salarisdaling in Spanje tussen 2008 en 2014 ruim 6 procent. In diezelfde periode kelderde het loon van de 10 procent slechtst betaalde Spanjaarden met 28 procent. De hoogst betaalden gingen er bijna 4 procent op vooruit. Spanje is in recordtempo uitgegroeid tot een van de ongelijkste landen van Europa.

Armoedegrens

De crisis, en vooral de aanpak daarvan, heeft in Spanje een nieuw –en naar het zich laat aanzien blijvend– fenomeen opgeleverd: mensen met een baan die toch onder de armoedegrens leven. Ruim 13 procent van de Spaanse werknemers verdient onvoldoende om in de eerste levensbehoeften te voorzien.

Dat is het hoogste percentage in de EU na Roemenië en Griekenland. Voor een groot deel is dat toe te schrijven aan de arbeidsmarkthervorming van Rajoy uit 2012. Uitgerekend de hervorming die door Brussel en Draghi zo enthousiast werd omarmd.