Schaalvergroting in de landbouw gaat in hoog tempo door

Helmert van Maanen. Beeld André Dorst André Dorst
2

De Nederlandse economie profiteert stevig van de land- en tuinbouw. De exportwaarde neemt elk jaar toe. Tegelijk telt ons land steeds minder agrariërs. Marges staan onder druk. Wie boer wil blijven, moet wel meedoen aan de schaalvergroting.

Boer zijn is geen beroep maar een manier van leven, werd vroeger gezegd. Hard werken en vaak weinig verdienen, zeker gelet op het aantal uren dat je ervoor moet maken. En altijd gebonden aan je bedrijf. Kom daar maar eens om in de huidige samenleving. Dan moet je het wel in je hebben om boer of tuinder te worden.

Maar ook de land- en tuinbouw rationaliseert. Schaalvergroting en specialisatie zetten in rap tempo door. Zonen staan niet meer automatisch te trappelen om het bedrijf van hun ouders over te nemen. Van de kleinere bedrijven heeft nog maar een kwart een opvolger, maakte onderzoeks­instituut LEI onlangs bekend. Het knelpunt: er is geen inkomen meer uit het bedrijf te halen.

Die ontwikkeling staat in schril contrast met het succesverhaal van de agrarische sector als geheel. Met een export aan land- en tuinbouwproducten van 76,2 miljard euro staat Nederland wereldwijd op de tweede plek na de Verenigde Staten. Weliswaar betreft meer dan de helft daarvan doorvoer van producten die, onder meer via Rotterdam, eerst zijn ingevoerd. Maar toch, ook onze eigen productie mag er zijn.

De Nederlandse boeren en tuinders brachten vorig jaar samen voor 26,5 miljard euro aan onder meer zuivelproducten, vlees, groenten, aardappelen, graan, fruit, bloemen en planten op de markt. Een cijfer dat vrijwel jaar op jaar gestaag groeit. Maar die productie komt van steeds minder bedrijven. Momenteel staat de teller volgens het LEI op ruim 68.000. In 1980 waren dat er nog 145.000.

De schaalvergroting heeft alles te maken met de kleine marges op land- en tuinbouwproducten. De boer hangt aan de laatste mem, luidt een gevleugeld gezegde in de sector. Het beeld komt uit de varkenshouderij: in het gevecht om de beste drinkplek bij moeder zeug verliest één biggetje steeds de strijd met zijn broertjes en zusjes. Het gevolg laat zich raden: dit biggetje krijgt de minste melk en moet met de restjes genoegen nemen. Dat zwakke biggetje is de boer, zijn sterkere broertjes en zusjes zijn de tussenhandel en de supermarkten.

Vorig jaar nam het LEI de marges in de zogenoemde afzetketen onder de loep. De uitkomst was onthutsend: van elke euro die in de keten werd verdiend, kwam slechts 6 cent bij de boer en tuinder in de portemonnee. Belangenorganisatie LTO beloofde zich sterk te maken voor een evenwichtigere verdeling. „De ontwikkeling van de inkomens moeten we in lijn zien te brengen met het succes van de agrosector”, zei voorzitter Albert Jan Maat.

Kartelvorming

Hoe dat moet, weet echter niemand. Een vuist maken naar andere marktpartijen is schier onmogelijk: de Autoriteit Consument & Markt (voorheen Nederlandse Mededingingsautoriteit) is gespitst op alles wat riekt naar kartelvorming, want dat zou de consument benadelen. Recent hebben telerscollectieven van paprika’s en uien dat bijvoorbeeld tot hun schade ondervonden. Zij kregen in 2012 en 2013 boetes van miljoenen euro’s aan hun broek.

Terwijl de consumentenprijzen voor voedsel langzaam oplopen, gaan de prijzen die boeren en tuinders voor hun producten krijgen op de lange termijn juist omlaag, zo heeft het LEI berekend. Weliswaar trokken de prijzen de laatste jaren door de schaarste op de wereldmarkt aan, maar dat was onvoldoende om de inflatie van 2 tot 3 procent per jaar goed te maken. En dus ging de boer er in feite nog steeds op achteruit.

Volgens het LEI heeft het aanbod van landbouwproducten voortdurend de neiging de vraag te overtreffen. Eigenlijk is er sprake van een vicieuze cirkel. Wil de boer bij de dalende marges nog een redelijk inkomen halen, dan moet hij zorgen dat zijn kosten per kilo aardappelen, tomaten of vlees omlaaggaan. Dat vraagt om vergroting van de productie: dan worden de vaste kosten immers over meer kilo’s uitgesmeerd. En dus past de boer de nieuwste technieken toe en breidt hij zijn bedrijf uit. Maar door dit alles wordt het aanbod aan product nog groter, komt de boerenprijs verder onder druk te staan en is de cirkel rond.

De consument is hierbij niet goedkoper uit. Consumentenprijzen stijgen juist doordat andere schakels in de keten de toenemende kosten voor bijvoorbeeld verwerking, verpakking en transport wel door­berekenen. Het gevolg laat zich raden: ging er van elke euro die de consument voor zijn voedsel betaalt in 1960 nog 40 cent naar de boer, nu is dat volgens het LEI nog ongeveer 20 cent.

De schaalvergroting heeft ook gevolgen voor de werkgelegenheid in de land- en tuinbouw. Die is in twaalf jaar tijd met 
30 procent teruggelopen, van 281.000 ”regelmatig werkzame arbeidskrachten” in 2000 tot 198.000 in 2012. Daar zijn de boeren en tuinders met hun meewerkende gezins­leden bij inbegrepen, die samen trouwens ruim de helft van het werk voor hun rekening nemen.

Het proces van schaalvergroting in de landbouw gaat volgens het LEI hand in hand met specialisatie: bedrijven met twee takken, bijvoorbeeld melkvee en akkerbouw, worden steeds zeldzamer. Volgens het LEI waren er in 2012 nog maar ruim 3300 gecombineerde bedrijven. In 2000 waren dat er nog 7750.

Faillissement

Boeren en tuinders stoppen meestal vrij­willig, omdat het niet langer haalbaar is een redelijk inkomen uit het bedrijf te halen. Faillissementen komen in de agrarische sector relatief weinig voor. Vanaf 2000 tot en met 2012 zijn er volgens het LEI ruim 800 uitgesproken, wat neerkomt op nog geen 3 procent van de totale daling van het aantal bedrijven.

Begin deze week meldde het CBS dat er in het eerste halfjaar van 2013 in totaal 
72 agrarische bedrijven failliet zijn gegaan. Het gaat vooral om tuinbouwbedrijven. In heel 2012 gingen 139 agrarische bedrijven failliet.


„We kunnen onze zoons een levensvatbaar bedrijf overdoen”

Het LEI meldt dat het aantal boerenbedrijven met twee takken terug­loopt. Bij Aart en Betty van Os in Uithuizermeeden kwamen drie zoons in het akkerbouw­bedrijf. Daarom besloten ze er kippen bij te nemen. Later kochten ze er ook grond bij.

Aart (61) en Betty (55) zijn geen Groningers van afkomst. Aart kwam met zijn ouders eind jaren 60 vanuit het Gelderse Aalst naar Loppersum. Bij een ruilverkaveling in de Bommelerwaard was hun boerderij uitgekocht. De ouders van Betty waren al eerder vanuit Moerkapelle in het noorden neergestreken. Samen kregen ze drie zoons en drie dochters.

Tot 1996 had Aart met een broer het ouderlijk bedrijf voortgezet. Omdat ze allebei kinderen hadden die ook boer wilden worden, besloten de broers hun boerderij –inmiddels verplaatst naar Uithuizer­meeden, onder de rook van de Eemshaven– te splitsen. Aart en Betty gingen met 
82 hectare land verder onder de naam Maatschap A. L. van Os. In de jaren die volgden kwamen hun zoons Dirk (31), Arie (29) en recent ook Rien (23) in het bedrijf.

„Van 80 hectare kan maar één gezin leven. We moesten dus wel uitbreiden”, zegt de boer. Omdat grond op dat moment erg duur was, begonnen ze in 2000 een tweede tak. Op het erf verrees een stal met uitloop voor 45.000 hennen. „We wisten niets van kippen. Maar de leveranciers van voer en hennen hebben ons goed geholpen.”

De combinatie akkerbouw-pluimvee biedt zo zijn voordelen. „We kunnen de mest op onze eigen grond kwijt, we voeren tarwe die we zelf telen en als de stal schoon­gemaakt moet worden, springen we allemaal bij”, zegt Aart.

De verdiensten van het pluimvee zijn over het algemeen goed, vertelt Betty, die de boekhouding bijhoudt en ook volop meewerkt op het bedrijf. Eén keer, in 2004, moest het bedrijf geruimd worden vanwege de verdenking van vogelgriep. Achteraf bleek dat onterecht.

Toch heeft de akkerbouw de voorliefde van de familie. Toen de jongere zoons ook boer wilden worden, besloten ze staps­gewijs grond bij te kopen. In totaal beschikt de maatschap nu over 325 hectare eigen grond; 60 hectare huren ze bij. Pootaard­appelen (140 hectare) zijn het hoofdgewas: de maatschap teelt diverse rassen voor de handelshuizen HZPC en KWS en heeft de vermeerdering helemaal in eigen hand. Andere gewassen in het bouwplan zijn tarwe, consumptieaardappelen, suikerbieten, wortels en koolraap.

De taken op het bedrijf zijn grofweg verdeeld. Terwijl Dirk verantwoordelijk is voor de kippen, regelt Arie de teelt van de akkerbouwgewassen en houdt Rien de machines bij. Verder heeft de maatschap vier medewerkers in dienst. „En pa is de haarlemmerolie, die springt overal bij”, lacht Betty.

Gezinsbedrijven zijn de kracht van de Nederlandse landbouw, vindt de familie Van Os. Als het nodig is, steekt iedereen de handen uit de mouwen. Dat maakt de bedrijven heel flexibel. Als er in de winter een partij pootgoed gesorteerd moet worden, staat bijvoorbeeld ook Betty aan de leesband en gaat het werk op zaterdag gewoon door.

De Nederlandse akkerbouw kampte jarenlang met lage prijzen voor veel producten. De laatste jaren gaat het beter. De familie Van Os is tevreden en weet zich gezegend. Aart: „We kunnen onze zoons straks alle drie een levensvatbaar bedrijf overdoen.” En Betty vult aan: „Het is de lol van het ondernemen wat ons trekt. Dat hebben de jongens ook.”


„Met veertig koeien kun je de kost niet meer verdienen”

Boeren met een naar huidige begrippen klein bedrijf hebben volgens het LEI veelal geen opvolger. Zo ook Helmert van Maanen in Scherpenzeel. Geen van zijn elf kinderen zal straks het melkveebedrijf overnemen. „Het is financieel niet haalbaar.”

De familie van Helmert van Maanen boert al zeker sinds 1760 in de Gelderse Vallei. Hij denkt er dan ook niet over om zijn grond te verlaten. Zoon Wim (19) loopt met het idee rond om er een zorgboerderij van te maken. Een andere zoon is monteur en zou een van de schuren goed kunnen gebruiken. En het land is altijd wel te verhuren.

Maar voorlopig is het nog niet zo ver. Helmert (58) en zijn vrouw boeren hier al zolang ze getrouwd zijn en het is nog te vroeg om te stoppen. „Maar als het zover is, gaat het mijn vrouw misschien nog meer aan het hart gaan dan mij”, zegt de boer spijtig.

Van Maanen heeft 16 hectare eigen grond. Met zijn veertig roodbonte MRIJ-koeien melkt hij een quotum van 260.000 liter vol. Tegenwoordig geldt dat als een kleine boerderij.

„Eind jaren 70 begonnen we met twintig koeien en vijftig zeugen. Daar konden we toen van leven. Nu zou je er buitenshuis bij moeten werken”, vertelt hij.

Met de zeugen is Van Maanen in 2000 gestopt. „De welzijnseisen werden steeds strenger. Tot drie jaar geleden hadden we nog wel 400 vleesvarkens, maar een investering in een nieuwe stal zag ik niet meer zitten.”

De koeien melkt Van Maanen in een gemoderniseerde grupstal. De dieren lopen ’s zomers dag en nacht buiten, ze komen dan alleen in de stal om te worden gemolken. De dieren kunnen zichzelf vastzetten in beugels. Achter de ligplaatsen valt de mest door roosters in de put.

Toen hij elf jaar gelden een nieuwe stal bouwde, koos Van Maanen weer voor een grupstal. „Ik heb nooit met een ligboxenstal gewerkt en bovendien was het goedkoper. Ik was toen al niet optimistisch over de toekomst.”

Omdat het relatief weinig scheelde, bouwde hij de nieuwe stal wel op de uitbreiding. Hij kan maximaal vijftig koeien stallen.

Sinds de invoering van de melkquotering begin jaren 80 heeft Van Maanen van tijd tot tijd wat quotum bijgekocht. Anderhalf jaar geleden besloot hij dat niet meer te doen. Dat de quotering in 2015 verdwijnt, was niet eens de belangrijkste reden. „Ik heb geen opvolger. De jongens hebben het er weleens over gehad, maar dan zouden we moeten uitbreiden naar misschien tachtig koeien. Zo’n investering is niet meer rendabel te maken.”

Volgens de boer krijgen kleine bedrijven het steeds moeilijker. „Met veertig koeien kun je de kost eigenlijk niet meer verdienen. Kijk nou eens wat de melk opbrengt. Nog geen 40 eurocent per liter, en dat noemen ze dan een hoge melkprijs. In 1990 beurden we 90 cent, dat was meer dan nu.”

Volgens Van Maanen is de marge op melk veel te klein. De kosten zijn namelijk veel hoger dan vroeger. Veevoer en kunstmest zijn fors duurder geworden. „De kunstmest kostte vroeger 25 gulden per 100 kilo. Nu betaal ik 32 tot 33 euro. De melkprijs zou eigenlijk 60 eurocent moeten zijn. Vergelijk dat met een liter cola of bronwater, die verhouding is toch helemaal scheef?”

Boeren worden gedwongen tot schaal­vergroting, maar of ze dan meer verdienen, is voor Van Maanen de vraag. „Mijn buurman heeft 140 koeien, maar personeel erbij kan hij niet betalen.”