Op sparen zou je een soort subsidie moeten geven

Column Gerhard Hormann
Voorkom dat burgers de motivatie verliezen om te sparen. beeld ANP, Koen Suyk

Nu de rente op spaartegoeden gevaarlijk dicht in de buurt komt van het nulpunt, verdampt ook het draagvlak voor de vermogensrendementsheffing.

In 2005 zat ik twee uur lang tegenover Eric Mecking om hem te interviewen over zijn boek ”Deflatie in aantocht.” We spraken over de torenhoge huizenprijzen, de kans op een economische crisis en het fenomeen deflatie. Als voorbeeld noemde hij een theoretische en op dat moment volstrekt denkbeeldige spaarrente van 0,25 procent. Volgens hem kon je in een dergelijke situatie spreken van de wereld op zijn kop.

Destijds nam ik zijn woorden voor kennisgeving aan in de veronderstelling dat hij het slechts noemde bij wijze van voorbeeld. Inmiddels zijn we veertien jaar verder en bevinden we ons middenin die omgekeerde wereld. Menig spaarder zou op dit moment maar wat blij zijn met de door Mecking genoemde 0,25 procent, want dat is ruim tien keer zoveel als de 0,02 procent die de grote banken hanteren.

Daarmee heeft de spaarrente het nulpunt feitelijk al bereikt en is een negatieve spaarrente zelfs helemaal niet ondenkbaar meer. Zo wordt de spaarder langzaam voorbereid op de situatie waarin hij zou moeten gaan betalen voor het veilig bewaren van zijn zuurverdiende geld, met de oncontroleerbare maar geruststellende garantie dat het in geval van nood tot 100.000 euro is gedekt.

Strikt genomen moet de consument op dit moment al betalen voor zijn bankzaken, want een gezamenlijke rekening komt op ongeveer 2,50 euro per maand. Wie in dit digitale tijdperk prijs stelt op maandelijkse toezending van papieren afschriften, is daar bovenop nog eens 50 cent per rekening verschuldigd. Zo kunnen de kosten oplopen tot wel 40 euro per jaar, een bedrag dat de consument pas terugverdient wanneer hij twee ton aan spaargeld op zijn bankrekening heeft staan.

Mecking voorspelde dat burgers bij een dergelijke absurd lage rente massaal hun spaargeld zouden opnemen om het thuis in een bankkluis te bewaren. Dat zou ongetwijfeld zijn gebeurd wanneer deze in één klap was verlaagd van 4 procent tot 0,02 procent, maar nu is het zo geleidelijk gegaan en zo ongemerkt dat het bijna aanvoelt als een geniepige streek. Dat onrechtvaardige gevoel wordt nog eens versterkt bij de jaarlijkse belastingaangifte.

Het heffen van vermogensrendementsheffing op spaargeld dat per saldo niets oplevert, is in deze situatie niet langer houdbaar en mist elke redelijke grondslag. Nu alle bankgegevens bekend zijn bij de fiscus en vooraf reeds ingevuld op de aangifte, staat niets de overheid in de weg om spaargeld tot nader order vrij te stellen van belastingheffing, al was het maar tot het garantiebedrag van 100.000 euro per persoon.

Daarnaast zou moeten worden nagedacht over een soort spaarsubsidie om te voorkomen dat burgers de motivatie verliezen een noodzakelijke buffer aan te houden.

Voor de hand zou liggen om de in 2012 op oneigenlijke gronden afgeschafte spaarloonregeling nieuw leven in te blazen. Wanneer werknemers maandelijks een vast bedrag kunnen sparen van hun (onbelaste) brutoloon, kantelt die omgekeerde wereld weer een beetje in de gewenste richting en voelt de huidige situatie als minder onrechtvaardig en demotiverend.

De auteur is publicist. Voor eerdere columns zie rd.nl/hormann. Reageren? hormann@refdag.nl