Minister van Financiën is zuinig, volgens sommigen té zuinig

3

Nederlandse ministers van Financiën zijn meestal zuinig. Netjes, zou je denken. Maar vandaag de dag klinkt vanuit gerenommeerde instellingen de roep om maar eens wat meer geld te gaan uitgeven.

Van welke politieke kleur de bewindsman ook is –een bewindsvrouw hadden we op het betrokken departement nog niet– niemand kan beweren dat de schatkist soms niet in goede handen is. Ook de PvdA bijvoorbeeld, die ooit van VVD-zijde het verwijt kreeg een partij van potverteerders te zijn, let als ze in de regering zit op de kleintjes. Ruding (CDA), alweer lang geleden, in de jaren tachtig, en daarna Kok (PvdA), Zalm (VVD), Bos (PvdA), De Jager (CDA) en Dijsselbloem (PvdA), allemaal voerden ze een solide begrotingsbeleid. Hoekstra (CDA) trekt die lijn door.

Sinds de komst van de euro, in 1999, worden ze daarbij geruggesteund door het stabiliteits- en groeipact van de EU, dat voorschrijft dat het tekort de 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) niet mag overschrijden. Slechts eenmaal kwam Nederland op het strafbankje van de Europese Commissie terecht: in 2009; maar dat waren, als gevolg van de financiële crisis, uitzonderlijke omstandigheden.

Vanaf 2017 hebben we een overschot op de begroting. Volgens recente berekeningen van het Centraal Planbureau zal het dit jaar 1,3 procent bedragen. Voor 2020 gaat het CPB uit van 0,6 procent, op Prinsjesdag horen we daarover meer. Het tij is gunstig om te sparen en, door af te lossen, de staatsschuld te verkleinen.

Toch zwelt de kritiek aan. Nederland is té zuinig, laten het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de OESO, de club van de rijke landen, telkens weten. We zouden meer moeten uitgeven, niet aan inkomensoverdrachten die het koopkrachtplaatje opvrolijken, maar aan investeringen en beleidsintensiveringen die de toekomstige groeicapaciteit versterken: onderwijs, onderzoek, infrastructuur. Niemand kan het nut hiervan betwisten, want groei hebben we hard nodig, om bijvoorbeeld de stijgende kosten van zorg en AOW op te brengen. Niet voor niets zei minister Wiebes onlangs dat hij een groeiagenda wil gaan opstellen.

Zo’n stimulerende aanpak is ook goed voor de rest van Europa. Nederland heeft overschotten op de begroting en de betalingsbalans, dus het kan best een impuls toedienen, klinkt als pleidooi. Bovendien krijgt de staat als die via een obligatie op de kapitaalmarkt leent, momenteel zelfs geld toe.

Maar argumenten om het voorzichtig aan te doen op dat punt, zijn er eveneens. Denk aan de wereldwijde schuldenberg. Die heeft een recordomvang bereikt. Waren te forse schulden niet een belangrijke oorzaak van de financiële rampspoed in 2008? De budgettaire situatie laten verslechteren betekent verder dat er bij een nieuwe neergang –vroeg of laat komt die– extra kortingen op de uitgaven nodig zijn.

Zo sta je als beheerder van ’s lands schatkist altijd voor een dilemma. In slechte tijden moet je bezuinigen, terwijl sommigen erop aandringen dat juist niet te doen, omdat als je de groei bevordert, in hun redenering het tekort en de schuld vanzelf dalen. Nu het economisch voorspoedig gaat, voeren we een zelfde discussie, ook over meer of minder uitgeven.

Dit weet ik in ieder geval: we hoeven geen spijt te hebben van een strakke begrotingsdiscipline in de voorbije decennia. Zuinigheid is ons onder al die ministers van Financiën nooit opgebroken.