Leven op gespannen voet met geld en goed

materialisme
Bron RD, eigen onderzoek
4

Refo’s vallen meer en meer voor het zien- en zinlijke. Dat zegt het merendeel van de gereformeerde gezindte. Maar op de vraag of geld een té grote plaats inneemt in het leven, zegt tweederde van dezelfde mensen: „Welnee.”

Dat is een van de uitkomsten van een onderzoek naar materialisme in de gereformeerde gezindte, uitgevoerd door het Reformatorisch Dagblad. Een opmerkelijke uitkomst, want zeggen de ondervraagden daarmee niet dat het bij hén wel meevalt, maar dat de reformatorische buurman zijn materialistische levensstijl beslist eens kritischer moet bekijken?

Ruim twintig jaar geleden was dat in ieder geval de strekking van een artikel in het Reformatorisch Dagblad naar aanleiding van een eerste onderzoek naar materialisme in de gereformeerde gezindte. ”Vooral de buurman is materialistisch”, kopte de krant op zaterdag 4 januari 1997.

Diezelfde kop zou zonder problemen ook weer boven dit artikel kunnen staan, na een herhaling van genoemde enquête. Op de vraag of de gereformeerde gezindte materialistischer wordt, geeft zo’n 80 procent van de ruim 350 ondervraagden een bevestigend antwoord. Net als in 1997. En vraag je naar de plaats van geld in het leven, dan is tweederde het er over eens dat dit niet een té grote plaats inneemt. Inderdaad: ook net als in 1997.

Materialisme gaat dus vooral over de buurman en niet over mijzelf. Toch moeten we dat niet te negatief duiden, vindt ir. Ries van Maldegem, onafhankelijk adviseur die in lezingen en columns het consumentisme bekritiseerde. „Je kunt hier natuurlijk zonder problemen de gelijkenis van de splinter en de balk toepassen, maar de reactie van de ondervraagden is ook eenvoudig te verklaren. Het is voor anderen nu eenmaal lastiger om te bepalen welke keuzes er achter bepaalde uitgaven zitten.”

In ieder geval zijn er grote overeenkomsten te zien tussen de resultaten uit 1997 en 2018. Bijvoorbeeld bij het reserveren van huishoudgeld voor de boodschappen (35 procent doet dat), bij het kopen van producten op afbetaling (ruim 90 procent doet dat niet) en de godsdienstige levensovertuiging die het bestedingspatroon beïnvloedt (zo’n 85 procent beaamt dat).

Dan naar de verschillen, want die zijn het meest interessant. Ze zitten bij een paar specifieke onderwerpen. Neem rood staan. Dat wordt nu door meer mensen als negatief ervaren dan twintig jaar geleden. Dit kan erop duiden dat de mening over schuld is veranderd.

Maar het kan ook eenvoudig te maken hebben met het feit dat we met z’n allen meer financiële slagkracht hebben gekregen en daadwerkelijk minder rood staan. Als je minder vaak rood staat, zul je het ook erger vinden als het weer eens gebeurt. Een grotere portemonnee verklaart ook waarom er anno 2018 duidelijk meer gespaard wordt in de gezindte.

Beleggen

Nog zo’n onderwerp waar verschillen te zien zijn: beleggen. Refo’s van nu zijn er duidelijk minder voor te porren dan in 1997. Nu is het wel zo dat in die tijd de grote internetzeepbel nog moest klappen en dat ook in de gereformeerde gezindte veel aandacht was voor beleggen, bijvoorbeeld in de toenmalige Baan Company.

Wie goed naar de uitkomsten kijkt, ontdekt nog twee duidelijke verschillen: bij het geven van giften en bij zwart werken. Wat het laatste betreft: daar is de gezindte kritischer op geworden. Bij het geven van giften doet de Bijbelse richtlijn van de tienden meer opgeld dan ruim twintig jaar geleden.

Voor Ries van Maldegem zijn dit signalen die erop kunnen duiden dat de financiële ethiek van reformatorisch Nederland enigszins verbeterd is. „Dat komt denk ik omdat er ook in deze krant relatief veel aandacht is voor materialisme en hoe je daar als christen mee om moet gaan. In preken komt het wellicht ook meer aan de orde dan twintig jaar geleden.”

Minder positief

Ds. W. Visscher, predikant van de gereformeerde gemeente in Amersfoort, is iets minder positief na het bekijken van de onderzoeksresultaten. „Ik denk eerlijk gezegd niet dat er in de gezindte veel veranderd is in de afgelopen twintig jaar. Kleine verschuivingen kunnen ook met statistiek te maken hebben. De grote verschuivingen, meer dan 10 procent, zitten bij geen schulden maken, meer sparen en niet zwart werken. Dat zijn dingen die volgens mij ook meer algemeen in de samenleving zo worden gezien.”

Het valt ds. Visscher op dat de reformatorische gezindte meer en meer uit een midden- en bovenklasse bestaat. De meeste mensen verdienen tussen de één en twee keer modaal. „We zijn in financieel opzicht van stillen in den lande tot gegoede burgers geworden. Verder denk ik dat het bestedingspatroon niet erg afwijkt van het gemiddelde in Nederland.”

Goed om te weten is dat het inkomen in de middenklasse volgens de meeste definities tussen de 35.000 en 100.000 euro netto per jaar ligt. Een behoorlijk breed kader dus, waar volgens het onderzoek het overgrote deel van de ondervraagden onder valt.

Dat de gezindte vooral uit ‘middenklassers’ bestaat, is voor Van Maldegem een positief gegeven. „In het Oude Testament staan de economische wetten gericht op de vorming van een sterke middenklasse. Dus niet enkele rijken en veel armen, maar een samenleving van mensen die economisch zelfstandig zijn en naar elkaar omzien.”

Als voorbeeld noemt de adviseur het jubeljaar. „Een mooi voorbeeld van het bestrijden van extremen in rijkdom en armoede. Elke vijftig jaar moesten akkers weer teruggegeven worden, zodat bezitsongelijkheid niet erfelijk werd en jongeren een gelijk startperspectief kregen.”

Ideaal

Zo bezien is een soort van middenklassegezindte een nastrevenswaardig ideaal. Niemand te rijk, niemand te arm en iedereen deelt mee in welvaart en welzijn. Zijn we werkelijk zo goed bezig? Van Maldegem blijft positief gestemd. „Als je ziet dat juist vanuit christelijke hoek veel hulp geboden wordt aan armen in de samenleving, dan hoeven we niet negatief te doen over de gezindte. De kerk speelt hierin een belangrijke rol. Denk aan de diaconie, die steeds belangrijker wordt naarmate de verzorgingsstaat achteruit gaat.”

Ds. Visscher is voorzichtiger. „Is zo’n middenklasse goed of slecht? Ik weet het niet. Kijk, mensen die zeggen dat ze niet om geld geven, spreken onzin. Bij de winkel moet je de boodschappen betalen en daar is geld voor nodig. Het gaat erom waar we ons hart op zetten. Helaas is voor sommigen eten, drinken, vakantie en een auto wel heel belangrijk geworden. In een doordeweekse kerkdienst is het meestal niet druk. Mensen hebben daar geen tijd voor, maar het is een kwestie van prioriteit. Dat geeft zorg.”