„Ze denken dat ik een ouwe kerel ben”

BLIJA – Christiaan van der Weij (94) uit Blija is de oudste ondernemer van Nederland. Zes dagen in de week runt hij z’n verhuurbedrijf van minibusjes. Zelf reed hij als chauffeur zo’n 2 miljoen kilometer schadevrij. „Van reizen kun je heel oud worden”, zegt hij. Het is de bedoeling dat een kleinzoon op termijn het bedrijf overneemt. Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Op wat hulp van een tijdelijke kracht na runde hij z’n toko altijd in z’n eentje. „Dan mis je de stress van werknemers.” Vorig jaar nog reed hij van Blija -Noord-Friesland- naar Bergen op Zoom met een minibus van z’n eigen verhuurbedrijf. „Nu mag het niet meer van de kinderen, ze denken dat ik een ouwe kerel ben”, lacht Christiaan van der Weij (94). Hij is de oudste ondernemer van Nederland.

Wie hem heeft opgegeven als ’boegbeeld’ voor de recente pensioencampagne van Centraal Beheer Achmea weet hij niet. Feit is dat hij onlangs afreisde naar Apeldoorn voor een intiem feestje. Samen met een hovenier uit hetzelfde geboortejaar en een administrateur van 85 lentes werd hij in het zonnetje gezet door de pensioenverzekeraar.

Veel mensen hijgen naar het einde van hun arbeidzame leven en stappen er zo vroeg mogelijk uit. Bij Van der Weij werkt het anders. „Het bedrijf was en is m’n leven.” Schoondochter Ankie van der Weij (61) vult aan: „Hij zegt het regelmatig: stoppen met werken zou m’n dood bespoedigen.” Dagelijks runt hij het verhuurbedrijf van zeven minibusjes. Gezeten naast de telefoon, met een soort logboek bij de hand. Met vier van de zeven busjes is een middelbare school uit Dokkum op dit moment op werkweek. „Die logboeken heb ik bewaard vanaf de start in 1933.”

In 1910 kwam Christiaan ter wereld, als telg van een geslacht van veekooplieden. „Dat vak was niks voor mij, dat wist ik al vroeg. Ik kon bij wijze van spreken geen schaap van een ram onderscheiden en dat wilde ik graag zo houden.” Na een start op de mulo in het nabijgelegen Ferwerd, vond z’n vader de ambachtschool toch een betere plek voor de zoon om een vak te leren. „Voor doorleren was geen geld.” Nadien haalde hij bij PBNA het diploma van elektrotechnisch opzichter.

Autorijden leerde hij zichzelf aan. „Op de auto van de melkrijder. Ik reed, hij zette de bussen achterop. Het rijexamen bestond nadien uit een rondje over het kerkplein en een ritje naar Dokkum en terug.” De eerste auto -een zwarte Chevrolet uit 1928- kwam op 1 september 1933, die dag geldt tevens als startdatum van het bedrijf. „Daarvoor reed ik echter al veel met arbeiders naar de Afsluitdijk, die in 1932 gereedkwam.”

Ook na z’n huwelijk in 1937 -„één dag voor Juliana en Bernhard”- oefende Van der Weij diverse beroepen naast elkaar uit. „Fietsenmaker, taxichauffeur, waterfitter en elektricien, ik was alles tegelijk.” In de oorlog werden in Blija’s Hoofdstraat het huis en de zaak gebouwd waarin hij nu nog steeds woont en werkt.

Na de oorlog ging het snel crescendo met het taxibedrijf. „Ik bracht Zeeuwse schippers vanuit Leeuwarden naar huis. De eis was: sneller dan de trein. Dat lukte, met een uur of vier waren we er wel.” Als hij thuis was en er was even geen taxiwerk, leverde en installeerde hij gaskachels. „Daar werd hij in de jaren vijftig groot mee”, aldus de schoondochter. Onderwijl bediende haar schoonmoeder de benzinepomp en verkochten ze tussendoor nog stofzuigers en dergelijke. „Dat gebeurde allemaal naast het grootbrengen van een gezin met drie dochters en een zoon.”

Met de opkomst van de personenbus voor negen personen -het is dan nog steeds jaren vijftig- veranderde er veel. „M’n eerste VW-bus, máchtig, beresterk, de luchtgekoelde motor kookte nooit. In die tijd begonnen we met reizen, dat kon prachtig met die busjes. Mensen hadden nog geen rijbewijs, dus ik chauffeerde zelf.” Vreemde landen lokten, de vleugels gingen steeds verder uit. „Eerst met jongeren uit Blija, tenten op de imperiaal. Op een gegeven moment kwam ik met acht jonge meiden op een camping aan. De eigenaar riep: Ha, daar komt de sultan met z’n harem. Met jongens moest je altijd in de buurt van een herberg kamperen.”

In de jaren vijftig en zestig was Van der Weij onder meer druk met emigrantenvervoer vanuit Friesland. „Eerst moesten ze voor gesprekken en een keuring naar Den Haag. Ik wist de weg en kende de juiste loketten. Besloten ze naar Canada te gaan, dan zette ik ze wat later in Rotterdam op de boot. Vele honderden emigranten bracht ik weg, het eerste stukje op weg naar hun nieuwe vaderland.”

Van lieverlee evolueerde het taxibedrijf tot verhuurbedrijf, op dit moment heeft het nog zeven busjes. „De mensen haalden allemaal een rijbewijs, wat niet altijd wilde zeggen dat ze ook konden rijden.” Zelf reed hij zo’n 2 miljoen kilometer -ruwweg vijftig keer rond de evenaar- schadevrij. „In 2004 reed ik nog naar Bergen op Zoom op en neer, maar van de kinderen mag het niet meer, zo ver.” Slechts doofheid hindert de krasse ondernemer bij de uitoefening van z’n vak. Onlangs verlengde de gemeente z’n rijbewijs abusievelijk met vijf jaar. „Tot m’n 99e mag ik langs de weg.”

Het ligt in de verwachting dat een kleinzoon -eigenaar van een ander verhuurbedrijf in Friesland- de zaak van opa Van der Weij overneemt. „De huidige samenwerking loopt goed, al zet ik geregeld de rem er wat op. Ik ben wel oud, maar nog niet der dagen zat.” Z’n schoondochter: „Hij moet altijd iets in het vooruitzicht hebben.”

Groter plezier dan met hem op reis gaan, kunnen de kinderen hem niet doen, al hangt er op de schoorsteen ook de spreuk ”Oeral thús mar thús it beste”. Er zijn weinig landen op de wereld waar hij -al dan niet met eigen vervoer- niet is geweest. Van der Weij: „Van reizen kun je heel oud worden.” En, nog een ’geheimpje’ in dat verband: „Ik heb nooit gerookt, alleen een sigaartje voor de gezelligheid. Niet zo lang geleden lag ik nog onder een busje te sleutelen. Mensen zeiden tegen me: Oppassen, Van der Weij, je wordt nog ziek! Ziek? Ik weet echt niet wat dat is.”