Gerhard Hormann over permanente bewoning

Column Gerhard Hormann
beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen

Het begint erop te lijken dat steeds meer politieke partijen hun standpunt bijstellen als het gaat om het permanent bewonen van vakantiehuisjes.

Tot voor kort werd dat aangeduid als „illegale bewoning” en bestreden met behulp van strenge controles en dwangsommen, maar op verschillende plaatsen in het land wordt de deur op een kier gezet voor een versoepeling van de regels zonder dat dat in de landelijke media veel aandacht krijgt of tot grote ophef leidt. Die opvallende koerswijziging kan grote gevolgen hebben.

Makelaars in vakantiewoningen schermen al twee decennia met een opheffing van dat verbod, omdat dat in strijd zou zijn met Europese regels. Nederland neemt inderdaad een uitzonderingspositie in als het gaat om recreatiewoningen, want nergens anders is het verboden om 365 dagen per jaar vakantie te vieren in je eigen vakantiehuisje. Denemarken hanteert weliswaar ook beperkende regels, maar biedt gepensioneerden onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om er legaal te verblijven.

Zo kunnen 55-plussers kleiner gaan wonen in een rustige omgeving, met een slaapkamer en een badkamer op de begane grond zonder dat ze bang hoeven te zijn om de regels te overtreden en problemen te krijgen. In Nederland kan dat vaak alleen als mensen hun éérste woning aanhouden als hoofdverblijf, terwijl ze er in werkelijkheid alleen nog komen om de post te halen. Anders gezegd: je mag uitsluitend in een tweede huis wonen als je daadwerkelijk twee huizen bezit.

Nu ontstaat er natuurlijk een onwenselijke situatie wanneer elk nieuw te bouwen recreatiepark meteen in een woonwijk verandert nadat het in de verkoop is gegaan. In de praktijk gebeurt dat doorgaans echter vooral in oudere parken met gedateerde woningen die voor toeristen minder aantrekkelijk zijn en die weinig extra voorzieningen hebben. Zonder vaatwasser, flatscreen, internet en bubbelbad is een vakantiewoning nauwelijks verhuurbaar doordat het aanbod groeit en vakantiegangers steeds veeleisender worden.

Het verbod op permanente bewoning komt steeds verder onder druk te staan door diverse maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder de groeiende vraag naar ”tiny houses” en de transformatie van vakantieparken tot opvangcentra voor asielzoekers. Los daarvan is het voor veel gemeenten simpelweg te duur en te arbeidsintensief om handhavend op te treden, zeker wanneer een gemeente verschillende parken binnen de grenzen heeft.

In Overijssel pleit daarom zowel het CDA als de partij 50PLUS voor een verruiming van de regels en het delegeren van de beslissingsbevoegdheid naar de provincie. Landelijk beleid botst niet zelden met de plaatselijke praktijk, juist omdat het ene vakantiepark het andere niet is. Lokale bestuurders zijn vaak beter in staat om te beoordelen of sommige parken geschikt zouden kunnen zijn om aangemerkt te worden als woonwijk, zeker als er geen tropisch zwembad of restaurant aan het complex verbonden is.

De discussie daarover moet nog beginnen, maar de ommezwaai is opmerkelijk. Met name het CDA was altijd mordicus tegen, terwijl pragmatisme het nu lijkt te winnen van principes. Ook bij gewijzigd beleid ligt rechtsongelijkheid op de loer (waarom het ene park wel en het andere niet), maar duidelijk is wel dat de discussie hoognodig terug moet op de politieke agenda en feitelijk opnieuw moet worden gevoerd.

De auteur is schrijver en publicist. Reageren? hormann@refdag.nl