Gerhard Hormann over armoedegrens en besef van rijkdom

Column Gerhard Hormann
beeld ANP, Valerie Kuypers

Uit de laatste cijfers –en dat zijn vreemd genoeg cijfers over het jaar 2015– blijkt dat 1,2 miljoen mensen kampen met armoede of rond moeten komen met een netto-inkomen dat onder de armoedegrens ligt.

Dat aantal is stabiel, hoewel in krantenberichten regelmatig de zinsnede „steeds meer” opdook. Die toevoeging heeft ermee te maken dat armoede steeds vaker langdurig is of zelfs chronisch.

Over armoede moet niet lichtvaardig worden gedacht. Geldtekort verlamt, zorgt voor permanente stress en is er mede de oorzaak van dat mensen ondoordachte, kortzichtige beslissingen nemen die de financiële situatie alleen maar verergeren. Er is een rechtstreeks verband tussen armoede, gezondheid en levensverwachting dat alles te maken heeft met onzekerheid, onkunde en onmacht. Het blijkt vaak lastig om te ontsnappen aan die situatie, ook wanneer kinderen die in armoede opgroeien eindelijk op eigen benen staan. Armoede is besmettelijk én erfelijk.

Niemand in de bijstand bevindt zich in een benijdenswaardige positie, dus ik zal de laatste zijn om voor te stellen dat mensen met een uitkering hun vakantiegeld in moeten leveren omdat ze toch al elke dag vakantie hebben. Aan de andere kant hoef je als gezin maar één keer een zomervakantie over te slaan om te beseffen dat het geen grondrecht is en geen basisvoorwaarde.

De definitie van armoede is wat mij betreft een onderwerp dat open zou moeten staan voor discussie, net zoals de armoedegrens arbitrair is. Aan de 1930 euro netto die voor een gezin met twee kinderen staat, zouden wij bijvoorbeeld ruim voldoende hebben als de hypotheek helemaal is afgelost en we nog maar één auto bezitten. Zelf heb ik de afgelopen jaren een inkomensteruggang meegemaakt van 40 procent zonder dat ik het gevoel heb dat mijn kwaliteit van leven erop achteruit is gegaan.

Zo weet ik nog steeds niet goed wat ik ervan moet vinden als ik in de krant lees –en dan heb ik het over een serieuze kwaliteitskrant– dat een Syrisch vluchtelingengezin de splinternieuwe laminaatvloer uit de aan hen toegewezen huurwoning liet slopen omdat de kleur niet beviel en zich beklaagde over het feit dat zich in de badkamer geen tweede toilet bevond. Ik zou daar nooit iets over zeggen in het publieke debat omdat je dan al snel als xenofoob wordt bestempeld, maar het wringt wel een beetje als je zelf al jaren op een tweedehands bankstel zit. Ik noem dit voorbeeld ook alleen maar om te laten zien hoe snel dankbaarheid verdampt en hoogmoed de overhand krijgt.

Als eigenaar van een zomerhuisje verbaast het me toch al dat huurders anno nu geen genoegen meer lijken te nemen met een weekje vakantie zonder jacuzzi, open haard, wifi en regendouche. Toen wij die recreatiewoning in de jaren negentig kochten, hebben we er bewust geen vaatwasser in laten plaatsen omdat we er thuis niet eens eentje hadden, maar inmiddels maakt dat simpele feit je huisje in feite onverhuurbaar. Zo komt de lat ongemerkt steeds hoger te liggen.

Zonder het armoedeprobleem te negeren, te bagatelliseren of weg te redeneren, zou het daarom best eens een interessant experiment zijn om de huidige armoedegrens toe te passen op de standaard die we daarvoor hanteerden in 1967. Zouden er dan nog steeds 1,2 miljoen mensen zijn die in armoede leven, of zouden we dan pas goed beseffen hoe rijk en bevoorrecht we eigenlijk zijn?

De auteur is schrijver en publicist. Reageren? hormann@refdag.nl