EU-landbouwbeleid op de schop

Boeren moeten straks aan strengere eisen voldoen om in aanmerking te komen voor inkomenssteun. beeld RD, Anton Dommerholt
2

Als de huidige plannen voor hervorming van het Europees landbouwbeleid worden doorgevoerd, dreigt het vruchtbare Nederland tien procent van zijn areaal landbouwgrond in te moeten leveren. Dáár is Europarlementariër Bert-Jan Ruissen (SGP) tegen, maar hij ziet ook lichtpuntjes.

Komende week bepaalt het Europees Parlement (EP) met welk mandaat zijn onderhandelaars de besprekingen met de lidstaten en de Europese Commissie in zullen gaan. Die onderhandelingen –in Brussels jargon trilogen– moeten tot een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) leiden, dat van 2023 tot 2027 van kracht zal zijn.

Hoewel er 670 amendementen op tafel liggen, is het zeker dat het EP aan zal sturen op strengere voorwaarden om in aanmerking te komen voor de basispremie van de directe inkomenssteun (zie kader voor uitleg). Boeren krijgen meer verplichtingen opgelegd, voor minder vergoedingen.

De drie grootste fracties in het EP (de christendemocratische Europese Volkspartij, de sociaaldemocratische S&D en de liberale Renew Europe) hebben daarover vorig weekeinde een akkoord bereikt. Bert-Jan Ruissen zat als onderhandelaar van de kleinere ECR-fractie (Europese conservatieven en hervormers) dicht bij het vuur, maar stond buitenspel toen de ”grote drie” in de achterkamers het met elkaar eens werden.

Green Deal

Grootste bezwaar van Ruissen is dat het voorstel aansluit op de Green Deal van Eurocommissaris Frans Timmermans, waarin onder meer staat dat de oppervlakte natuur in elke EU-lidstaat in de jaren tot 2030 naar 30 procent moet. Volgens statistiekbureau CBS had in 2015 14 procent van de oppervlakte van Nederland (inclusief water) het stempel groen.

De grote drie hebben afgesproken dat boeren in de nieuwe GLB-periode 10 procent van hun grond uit productie moeten nemen, willen ze in aanmerking komen voor inkomenssteun. Nu is dat nog 5 procent.

Ruissen: „Die grond moeten ze omzetten in natuur, zoals botanische akkerranden of landschapselementen. En dat zonder fatsoenlijke compensatie. Daar kan ik niet mee instemmen. In Nederland is er al een enorme druk op de landbouwgrond door claims van windparken, woningbouw en natuurontwikkeling.”

Beste grond

In verleden streefde Europa naar landbouwproductie op plaatsen die daarvoor het meest geschikt zijn. Enkele jaren geleden nog wilde staatssecretaris Sharon Dijksma van Economische Zaken –destijds verantwoordelijk voor landbouw– de ontwikkeling van de melkveehouderij in Nederland stimuleren, met als argument dat Noordwest-Europa daarvoor nu eenmaal de beste grond en het meest geschikte klimaat heeft.

Ruissen weet ervan. „Maar in Europa kijken lidstaten naar elkaar. Als het ene land moet inleveren, moet het andere dat ook. Eigenlijk is het absurd. Laten we zuinig zijn op onze vruchtbare grond in Nederland. Onze landbouw is ook nog eens kampioen als het gaat om lage milieubelasting per eenheid product.”

Hoewel hij donderdag de definitieve tekst van het akkoord van de grote drie nog niet had gezien, had de Europarlementariër opgevangen dat er nog meer eisen in het vat zitten. „Boeren worden verplicht om vlinderbloemige gewassen in te zaaien. Die leggen stikstof uit de lucht vast in de bodem. Op zich een goede zaak, maar doe dat dan op basis van vrijwilligheid. De boer kan zelf het beste bepalen wat in zijn bouwplan past”, zegt hij.

Een andere eis is dat langs sloten een bufferstrook komt met een breedte van 3 meter, om te voorkomen dat gewasbeschermingsmiddelen in het water terechtkomen. Ruissen: „In Nederland hebben we veel sloten. Dat gaat onze boeren dus veel teeltruimte kosten. Volgens mij is dat niet nodig, omdat onze boeren veel hebben geïnvesteerd in precisielandbouw en technische maatregelen zoals driftreductie op spuitmachines. Daarom heb ik begin deze week bij een debat in de EP-landbouwcommissie ervoor gepleit dat lidstaten boeren met veel sloten een uitzondering mogen geven. Het ziet ernaar uit dat dit gaat lukken.”

Een ander succes is een versoepeling van het scheurverbod voor blijvend grasland in Natura 2000-gebieden. In het pakket komt namelijk een amendement terug dat destijds door Ruissens voorganger Bas Belder was ingediend.

In het nieuwe GLB vervalt de vergroeningstoeslag. In plaats daarvan komen er zogeheten eco-regelingen, waar iedereen aan moet voldoen om de basispremie (60 procent van directe betalingen; nu is dat nog 70 procent) te kunnen ontvangen. De grote drie willen 30 procent van het budget aan die regelingen koppelen. De overige 10 procent kunnen lidstaten naar eigen inzicht inzetten.

De ECR-fractie probeert via amendementen de basispremie te verhogen naar 65 procent van het budget. De eco-regelingen zouden dan naar 20 procent gaan.

Maatwerk

„Het goede nieuws is dat lidstaten de vrijheid krijgen om die regelingen zelf vorm te geven. Dat maakt maatwerk mogelijk, wat tegemoet komt aan de verschillen tussen landen. De omstandigheden in de Nederlandse veenweidegebieden zijn immers heel anders dan die in de Alpenweiden”, zegt Ruissen.

Lidstaten moeten in nationale strategische plannen aangeven op welke manier ze doelen willen bereiken op het gebied van biodiversiteit, milieu, klimaat en dierenwelzijn. Boeren die extra hun best doen, kunnen premies verdienen.

Ruissen: „We hebben bereikt dat investeringen in precisielandbouw uit de eco-regelingen vergoed kunnen worden. Verder kunnen jonge boeren gedurende een langere periode subsidie uit de eerste pijler ontvangen, namelijk zeven in plaats van vijf jaar. In het plenaire debat komende week wil ik proberen om het potje voor jonge boeren via een amendement te verdubbelen, van 2 naar 4 procent van het budget.”

Voldoende voedsel en een redelijk inkomen

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie (GLB) startte in 1957. Doel was een stabiele voedselvoorziening met gunstige prijzen voor de consument en een redelijk inkomen voor de boer. Aanvankelijk kregen boeren subsidie volgens het principe ”hoe meer je levert, hoe meer geld je ontvangt.” Toen dat in de jaren 80 tot overschotten leidde, zoals de boterbergen, werden productie en subsidies geleidelijk losgekoppeld. Boeren kregen in plaats daarvan directe inkomenssteun.

Tegenwoordig krijgen boeren een vast bedrag per hectare, dat bestaat uit een basisbetaling (70 procent; in 2020 is dit voor Nederlandse boeren 260 euro) plus een vergroeningstoeslag (30 procent; 115 euro).

Vergroenen houdt in dat akkerbouwers minimaal drie gewassen dienen te telen. In Natura-2000 gebieden mag oud grasland (vakterm: blijvend grasland) niet worden omgeploegd. Bedrijven met meer dan 15 hectare bouwland moeten 5 procent daarvan inrichten als ”ecologisch aandachtsgebied.” Dat kan een met bloemen ingezaaide akkerrand zijn, maar bijvoorbeeld ook de teelt van een eiwitgewas.

In 2020 ontvangen de Nederlandse boeren in totaal 701 miljoen euro directe betalingen. Daarnaast is maximaal 150 miljoen euro beschikbaar voor ”goede marktwerking.” Dat geld wordt bijvoorbeeld gebruikt om extreem lage prijzen op te vangen als de vraag naar een product plotseling wegvalt. Inkomensondersteuning en markt- en prijsbeleid heten samen ”pijler 1” van het GLB. Pijler 2 betreft een programma voor plattelandsontwikkeling (118 miljoen euro).