Erkenning als goed doel kan achteraf vervallen

De fiscale regels voor goede doelen en andere maatschappelijk nuttige instellingen zijn onlangs aangescherpt. Naar aanleiding hiervan konden sommige donateurs –die hadden vastgelegd vijf jaar lang te geven aan een goed doel– gedupeerd worden.

Het zou dan gaan om donateurs van instellingen die vanaf 2010 niet meer als fiscaal goed doel erkend zouden zijn.

De minister van Financiën, De Jager, is deze donateurs tegemoetgekomen door in een besluit toe te zeggen dat zij hun giftenaftrek veelal kunnen behouden. Daarnaast deed hij nog wat andere toezeggingen voor donateurs en goede doelen, zoals de mogelijkheid om alsnog voor 2010 als goed doel te worden erkend (als algemeen nut beogende instelling ofwel anbi).

Wat de minister in het besluit niet heeft genoemd, is dat de Belastingdienst (nog) niet systematisch controleert of alle instellingen wel aan de voorwaarden voldoen. En dat leidt tot mogelijk forse risico’s voor een deel van de instellingen.

Veel goede doelen hebben namelijk eind vorig jaar een vrij simpel formuliertje ingevuld om te verklaren dat zij voldeden aan de verscherpte voorwaarden. Er moest onder meer worden aangekruist of de instelling geheel of nagenoeg geheel het algemeen nut dient. De meeste instellingen zullen vanzelfsprekend ”ja” hebben geantwoord, vanuit de overtuiging dat ze een algemeen nut nastreven. Instellingen die overal ja hebben ingevuld, kregen in beginsel automatisch de verlenging van de anbistatus. De Belastingdienst heeft dus geen toetsing uitgevoerd.

De verantwoording voor het goed invullen wordt geheel bij de instellingen gelegd. De fiscus zal de anbistatus immers achteraf kunnen intrekken, bijvoorbeeld omdat hij een andere opvatting heeft over het algemeennutkarakter van een instelling. De ervaring leert dat er onder meer discussies kunnen ontstaan over instellingen met (semi)commerciële activiteiten, zoals welzijnsorganisaties die tegen een niet al te hoge prijs ouderen of zieken voorzien van bijvoorbeeld vervoer of recreatiemogelijkheden. Ditzelfde geldt voor instellingen die onroerend goed verhuren aan andere goede doelen (bijvoorbeeld aan een zusterstichting).

Een andere categorie wordt gevormd door muziek- en andere culturele verenigingen. Die bieden immers (mede) plezier aan hun leden en lopen daarom gevaar om de anbi-status te verliezen, hoewel ze wellicht zelf vinden dat ze 100 procent algemeen nuttig zijn. Opvallend genoeg hebben veel muziekverenigingen nu volgens de anbilijst nog wel de anbiregistratie. De Belastingdienst heeft overigens niet het laatste woord over de registratie als anbi: een goed doel dat deze status verliest, kan altijd nog naar de rechter stappen. In het verleden is dit ook al meermalen gebeurd en gelukkig biedt de Hoge Raad af en toe enige duidelijkheid hierover.

Wat kan dit nu allemaal betekenen in de praktijk? Lopen goede doelen die producten verkopen of verhuuropbreng­sten behalen ten bate van het goede doel gevaar? In de regel niet, zo heeft De Jager gezegd. Voor de meeste goede doelen zijn er dus geen problemen te verwachten. Er zijn echter uitzonderingen. Uit het beleid van de Belastingdienst blijkt immers dat een maatschappelijke instelling die een vergoeding vraagt voor (welzijns)activiteiten het risico loopt de anbistatus te verliezen. Te denken valt aan een stichting die ouderenvervoer verzorgt of een stichting die betaalbare huisvesting voor bejaarden verstrekt; de inspecteur onthield aan deze instellingen de anbistatus omdat ze niet algemeen nuttig waren. Terecht hebben (lagere) rechters de Belastingdienst in deze zaken ongelijk gegeven.

Verenigingen of andere instellingen met vermeende commerciële activiteiten lopen echter het risico dat ze bij een controle in 2020 ineens te horen krijgen dat zij vanaf 2010 ten onrechte de anbistatus hebben ontvangen. Ter geruststelling: donateurs die te goeder trouw geven aan anbi’s die op de website van de Belastingdienst zijn vermeld, hoeven dan niet bang te zijn voor het terugdraaien van de giftenaftrek over het verleden. Maar de fiscus kan in dit voorbeeld voor de periode 2010 tot en met 2020 schenk- en erfbelasting naheffen, wellicht zelfs met boete indien de inspecteur vindt dat er opzet in het spel is. Gelukkig zal de soep niet altijd zo heet worden gegeten, bijvoorbeeld omdat er altijd vrijstellingen gelden tot 2000 euro per schenking (op jaarbasis) of erfenis, of omdat de (muziek)vereniging of instelling wellicht als sociale instelling kan worden aangemerkt. Ook de gang naar de rechter zou uitkomst kunnen bieden.

Desalniettemin is er naar mijn mening geen sprake van juist beleid. De wetgever heeft gemeend een van de criteria van de anbiregeling te moeten verscherpen (het algemeennutcriterium) en een aanvullend registratiesysteem ingevoerd. De wetgever is er hierbij blijkbaar van uitgegaan dat het begrip algemeen nut zomaar voor iedere instelling duidelijk is. Mijn visie zou zijn: een wetgever die een registratie­regeling zoals deze aanscherpt, moet dit ook direct en tijdig laten controleren op basis van heldere criteria. Zolang dit niet gebeurt, biedt de verplichte registratie alleen maar schijnzekerheid.

De auteur is werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs NV. Reageren aan scribent? fiscaliteiten@refdag.nl