Elk vakantiepark mikt op zijn eigen gat in de markt

Bosrijke omgeving. beeld ANP, Dennis Beek

Nog altijd is er geen eenduidig landelijk standpunt als het gaat om het permanent bewonen van vakantiehuisjes. Volgens Den Haag moet elke gemeente het zelf maar bepalen.

Trouwe lezers van deze column weten dat ik beschik over een vakantiehuisje in de provincie Overijssel. Onlangs kwam mij ter ore dat de desbetreffende gemeente voornemens is de aanwezige recreatieparken te ”revitaliseren” en permanente bewoning actief te ontmoedigen of terug te draaien. Dat sluit aan op de vorig jaar gepubliceerde ”actie-agenda vakantieparken 2018-2020” waarin Den Haag deze hete aardappel doorschuift naar lagere overheden onder de sympathiek klinkende noemer maatwerk.

Als afgestudeerd planoloog heeft dit onderwerp mijn warme belangstelling, dus tijdens ons laatste verblijf op het vakantiepark besloot ik een rondje te maken door de omgeving en alle recreatieterreinen te bekijken door de ogen van een plaatselijke ambtenaar. Die zal waarschijnlijk op pad zijn gestuurd met de mededeling dat een vakantieganger veel meer geld in het laatje brengt dan een vaste bewoner, zeker na de aangekondigde forse verhoging van de toeristenbelasting.

Het eerste wat opvalt is het grote aantal vakantieparken binnen de gemeentegrenzen. Hoewel de omgeving fraai is en verschillende toeristische trekpleisters telt, staat die hoeveelheid bedden niet in verhouding tot het gebodene. Zelfs zonder nader onderzoek kun je vaststellen dat niemand op het idee zou komen in één bescheiden dorp vijf slagerijen te openen met het idee dat die allemaal een goed belegde boterham opleveren.

In de praktijk blijkt elk park zijn eigen gat in de markt te hebben gevonden en in gebruik te zijn op een manier die past bij het aanbod, de ligging, de inrichting van het terrein en de prijs van het onroerend goed. Zelf zou ik tenminste niet de illusie hebben dat ik een park dat al decennia voor driekwart permanent wordt bewoond, weer zou kunnen transformeren tot een goedlopende toeristisch bedrijf.

Op het volgende park – dat nog steeds in ontwikkeling is – zag ik zoveel Poolse en Roemeense kentekens dat het leek op een terrein dat speciaal was ontwikkeld om buitenlandse werknemers te huisvesten. Hier trof ik geen duurzame houten of stenen woningen, maar meer een soort rechthoekige barakken met een bouwkwaliteit die eerder tijdelijke huisvesting suggereert dan permanente bewoning.

Dan is er ook nog een camping in de gemeente, vol chalets en stacaravans met een vanaf-prijs van 10.000 euro. Naast vrije geesten treft je hier vooral stadsbewoners die thuis geen tuin bezitten of op zoek zijn naar een buitenverblijf dat past binnen hun budget. Zo kun je zelfs met een bescheiden inkomen de hele zomer verblijven in een bosrijke omgeving of vakantievieren in eigen land.

Blijven er nog twee vakantieparken over met een receptie en vlaggen van verhuurorganisaties die overwegend in gebruik zijn voor korte vakanties en lange weekenden. Dat laat zien dat het ondoenlijk is om al die parken binnen dezelfde gemeente onder één noemer te laten vallen, zonder daarbij tevens oog te hebben voor maatschappelijke knelpunten als arbeidsmigratie, vergrijzing en woningnood.

De auteur is publicist. Voor eerdere columns zie rd.nl/hormann. Reageren? hormann@refdag.nl