Een hogere rente? Vergeet het maar

De kantoortoren van de ECB in Frankfurt. beeld EPA, Boris Roessler

Nu de economie afkoelt, verdwijnt de kans op een ommekeer in de rente-ontwikkeling voorlopig uit beeld. Dit jaar in ieder geval geen eerste stapje omhoog. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft met die maatregel, die spaarders eindelijk een sprankje hoop zou bieden, te lang gewacht.

Eén ding is zeker: de Italiaan Mario Draghi zal de geschiedenis ingaan als de ECB-president die geen enkele keer de rente naar boven heeft bijgesteld. Komende herfst loopt zijn ambtstermijn van acht jaar af. Kort na zijn aantreden in november 2011 kondigde hij een aanpassing af van 1,5 naar 1,25 procent. Daarna volgde een reeks van verdere verlagingen, tot uiteindelijk 0 procent.

Wat zei Draghi in oktober 2014 ook alweer? Hij en zijn medebestuurders hielden het tarief niet op lage niveaus om spaarders te plagen. „Het is volstrekt onjuist om te menen dat wij geld van hen willen afpakken. Met onze ingrepen beogen we juist het tegenovergestelde. Ze zijn bedoeld om economische groei te bewerkstelligen. Als het herstel vordert, zal de rente weer stijgen.”

Conjunctuur

Inmiddels hebben we een lange bloeiperiode achter de rug. Vooral Nederland scoorde in de voorbije jaren uitstekend. Maar de ECB greep de verbeterde omstandigheden niet aan om aan het monetaire front een kentering in gang te zetten. Dit in tegenstelling tot de Federal Reserve (Fed), de Amerikaanse evenknie, die wel diverse malen besloot tot een verhoging en daarmee het expansieve beleid afbouwde.

Binnen de muntunie wil de inflatie, ondanks de toch stevige groei, maar niet aantrekken tot –het doel van de ECB– vlakbij de 2 procent. Niemand weet precies waardoor dat komt. Bovendien kan volgens Draghi de economie de steun van een ruime geldpolitiek niet missen. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat dit vooral zo is voor de landen in Zuid-Europa.

Hoe dan ook, spaarders behalen als gevolg van de aanpak vanuit Frankfurt geen of nauwelijks rendement op hun tegoeden, als we de inflatie en de fiscale vermogensheffing meetellen boeren zij zelfs achteruit. En voor de pensioenfondsen betekent de lage rente een ramp.

Ondertussen lijkt het einde van de opgaande conjunctuurfase bereikt. De Duitse motor sputtert, Italië verkeert in een recessie. De prognoses voor de nabije toekomst worden voortdurend door alle instituten, en vrij fors, in ongunstige zin herzien. Om bij de ECB te blijven: die verwacht nu in 2019 een toename van het bruto binnenlands product (bbp) in de eurozone van 1,1 procent, terwijl drie maanden geleden nog 1,7 procent uit de berekeningen rolde. In ons land kwam het Centraal Planbureau (CPB) met een bijstelling van de vooruitzichten van 2,2 tot 1,5 procent.

Bij deze ontwikkeling past geen renteverhoging. Zo’n monetaire verkrapping zou immers lenen duurder maken en daarmee de investeringen en de bedrijvigheid afremmen. De laatste tijd communiceerde de ECB aan het adres van de financiële markten steeds dat hij zijn belangrijkste tarief zeker tot na de zomer op het huidige, ongekend lage peil zou handhaven. Na de periodieke vergadering van vorige week meldden Draghi en zijn collega’s, de presidenten van de nationale centrale banken, dat zij die termijn verlengen tot eind 2019.

Zij beschikken trouwens niet meer over de optie om met het traditionele rente-instrument een afzwakkende reële economie een impuls toe te dienen. Zij hebben verzuimd om toen de groei opveerde, zichzelf die beleidsruimte te verschaffen. Alle munitie is verschoten.

Leningen

Voor de banken staat de kraan om gratis geld te tappen voorlopig wagenwijd open. Tijdens de crisis gaf de ECB hun de mogelijkheid, tegen zelfs een negatieve rente, langlopend te lenen, met de bedoeling dat zij die middelen via kredieten zouden doorsluizen naar bedrijven. In juni 2020 moeten zij het geld van deze faciliteit hebben terugbetaald. Maar, zo is recent bekendgemaakt, vanaf september kunnen zij inschrijven op een nieuwe ronde van die zogeheten TLTRO’s (spreek uit: teltro’s). Banken in zuidelijke lidstaten, met name Italië, zouden namelijk grote moeite hebben om zelf op de markten kapitaal op te halen, het zou de rente in de betrokken landen omhoog duwen.

Al met al lijken betere tijden voor spaarders ver weg. De ECB zet op z’n vroegst in 2020 een stapje in de door hen gewenste richting. Of dan de ‘gewone’, commerciële banken snel volgen met een hogere vergoeding voor de klant, moeten we afwachten. Eerst hopen dat de economische situatie niet verder verslechtert. Meer tegenslag kan zomaar enkele jaren langer uitstel van een stijgende rente betekenen.