Een eenzijdig verhaal over Chinese investeringsactiviteiten

China’s president Xi Jinping (r.) en de Pakistaanse premier Imran Khan (l.). beeld EPA, Thomas Peter

De kritiek op het Chinese ”Belt and Road Initiative”, de paraplu waaronder Chinese investeringen en bouwactiviteiten in het buitenland plaatsvinden, groeit. Aan de Nederlandse universiteiten stelt echter niet iedereen zich kritisch op.

Een bizarre vertoning. Anders kan ik de door mij bezochte rondetafeldiscussie over China en de EU in het Midden-Oosten en Noord-Afrika niet omschrijven. Ik was de in december door de New Silk Road Group georganiseerde bijeenkomst al bijna vergeten, tot een documentaire op NPO2 mij er weer aan herinnerde.

In ”Xi, Xi wat jij niet ziet” lieten onderzoeksjournalisten zien hoe de Chinese overheid het beeld van China bij middelbare scholieren in Nederland probeert te beïnvloeden. Door onderwijs in de Chinese taal te financieren, wat mij prima lijkt. Maar ook sponsort zij het Confuciusinstituut in Groningen dat lesmateriaal verstrekt over China met gekleurde informatie.

De documentaire liet verder zien hoe in China journalisten en anderen worden geïntimideerd, mishandeld en opgesloten als zij zich negatief uiten over de communistische partij. De Chinese autoriteiten hebben duidelijk een andere mening over de vrijheid van meningsuiting dan wij hier in het Westen.

Terug naar de rondetafeldiscussie. China investeert nu voornamelijk in relatief arme landen in Azië en Afrika, die daarvoor veel geld moeten lenen. De schuldenlast is in deze landen veelal zo sterk gegroeid dat het IMF en internationale onderzoeksinstituten waarschuwen voor een nieuwe schuldencrisis. In het Midden-Oosten zijn de meeste landen echter rijk door inkomsten uit de olie-export. Zou de kritiek op het ”Belt and Road Initiative” voor deze regio wellicht niet van toepassing zijn?

Van de aan universiteiten verbonden sprekers verwachtte ik inhoudelijke informatie, maar veel wijzer werd ik niet. De meeste sprekers staken eenzijdig de loftrompet zonder de keerzijde te noemen. De aan de Erasmus Universiteit docerende Chinese gespreksleider kwam in een verhaal niet verder dan de oproep dat Europa toch vooral moet aansluiten bij het initiatief. Een medewerker van de Leidse universiteit gaf in zijn presentatie over Iran geen enkel inzicht in de relatie met China. De Pakistaanse ambassadeur was nog het meest concreet door te vertellen dat de Chinese investeringen een einde hebben gemaakt aan de stroomstoringen in Karachi. Maar een vraag van een student over de schuldenproblemen van Pakistan werd door hem op felle toon afgedaan als desinformatie als gevolg van Amerikaanse propaganda.

Het gevoel dat eerder sprake was van een pr-offensief dan van een informatieve bijeenkomst werd versterkt toen een Chinese journalist in het panel aangaf dat de confucianistische achtergrond van de Chinezen zou helpen bij de samenwerking met het islamitische Midden-Oosten. Een vraag over de heropvoedingskampen waar duizenden Oeigoeren, een islamitische minderheid in China, zijn opgesloten, wilde hij niet beantwoorden.

Het gebrek aan concrete informatie over de rol van China in het Midden-Oosten neem ik voor lief. Maar de vraag of de sprekers er zelf voor kozen om een eenzijdig verhaal te vertellen of dat er net als bij de scholen meer aan de hand is, blijft mij bezighouden.

De auteur is werkzaam in de financiële sector en schrijft over ontwikkelingen in de wereldeconomie.