De schuld in de schoenen geschoven krijgen

Zambia investeert, China incasseert.  beeld EPA

Een groeiend aantal opkomende economieën dreigt te bezwijken onder een te grote schuldenlast. Is hier sprake van eigen schuld, dikke bult?

Tot op zekere hoogte gaat dit gezegde inderdaad op voor het probleem van de oplopende buitenlandse schulden van landen in Azië en Afrika. Het is immers de keuze van deze landen zelf geweest om met geleend geld in te zetten op verbetering van de infrastructuur en verdere ontwikkeling van de grondstoffensector.

De laatste twee decennia worden in rap tempo bruggen, (spoor)wegen en vliegvelden gebouwd en elektriciteitsnetwerken verbeterd. Soms door bedrijven uit eigen land, meestal door buitenlandse ondernemingen, niet in de laatste plaats Chinese staatsbedrijven.

De bouwprojecten kunnen slechts voor een klein deel worden gefinancierd vanuit de overheidsbegroting of andere binnenlandse bronnen, en dus wordt buitenlands kapitaal aangetrokken.

Op het eerste gezicht mooi, want op deze manier wordt de verdiencapaciteit van het land vergroot. En dat dit met geleend geld gebeurt, hoeft niet verkeerd te zijn. Op termijn zullen de investeringen zich terugverdienen.

Probleem is echter dat de schuldenlast veelal niet in verhouding staat tot wat de landen kunnen dragen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF)heeft berekend dat van de groep van zestig lage-inkomenslanden niet minder dan 24 een groot risico lopen dat ze niet meer aan hun schuldverplichtingen kunnen voldoen.

Behalve dat de buitenlandse schulden sterk in omvang groeien, verslechtert ook de structuur van de schuld. Werden voorheen de meeste leningen verstrekt door multilaterale instellingen met lange looptijden, in toenemende mate financieren landen zich nu ook bij commerciële crediteuren, tegen korte looptijden.

De rente is wereldwijd laag, maar bij stijging van de marktrentes wordt herfinanciering dan een probleem, zeker als dit gepaard gaat met een verzwakking van de eigen munt. Naast het rente- en valutarisico is er nog het gevaar van een daling van de grondstoffenprijzen, die voor veel landen de betalingsmogelijkheden zou beperken.

Een extra kwetsbaarheid is dat niet alle investeringen rendabel zijn. Een berucht voorbeeld is de door Chinese bouwbedrijven aangelegde haven Hambantota, waarvan Sri Lanka in 2017 de zeggenschap heeft overgedragen aan China, in ruil voor schuldvermindering. Boze tongen beweren dat China hier vanaf het begin op uit was en van plan is er een marinebasis te vestigen.

Pakistan en Zambia zijn andere voorbeelden van landen die in problemen zijn gekomen door te grote investeringen. Beide landen hebben om hulp gevraagd bij het IMF, maar dit wil pas goedkoop krediet verstrekken als de landen hun financiën op orde brengen en er transparantie is over alle leningen die zijn aangegaan. Het eerste vraagt om moeizame aanpassingen, het laatste is moeilijk doordat China openheid over verstrekte leningen niet op prijs stelt.

De overheden van de landen treft blaam voor de schuldenproblemen, maar in feite geldt dat ook voor de partijen die de leningen te makkelijk hebben verstrekt of de landen hebben laten investeren in onrendabele projecten. Met enige taalcreativiteit kun je stellen dat de landen de schuld in de schoenen is geschoven.

De auteur is werkzaam in de financiële sector en schrijft over ontwikkelingen in de wereldeconomie.