De pensioenles van het pakje origamipapier ​

3

Er is veel onbegrip en boosheid over de pensioenen. Geen wonder, zegt hoogleraar Marike Knoef. „Ouderen is een te optimistisch wereldbeeld voorgehouden. Over scenario’s met korten hadden ze voorheen nooit gehoord.” Ze hoopt dat de uitwerking van het pensioenakkoord de komende maanden meer duidelijkheid biedt.

Regelmatig krijgen vakbonden telefoontjes en mails van verontruste leden die pensioen hebben of dat binnenkort hopen te krijgen. Ook binnen de achterban van de Reformatorische Maatschappelijke Unie (RMU) is een deel enigszins nerveus, zo blijkt bij navraag. De leden vrezen kortingen op hun aanvullend pensioen en tonen onbegrip over het mogelijke ingrijpen, als ze dat afzetten tegen de vele miljarden die de pensioenfondsen in binnen- en vooral het buitenland hebben belegd.

Geen wonder, want doorlopend duiken er berichten in de media op over pensioenfondsen die vrezen voor kortingen op de aanvullende pensioenen. Dan is dat weer wel en dan weer niet nodig. Zelfs het coronavirus heeft invloed op de dekkingsgraad, zo blijkt uit recent nieuws. En de grote duikeling van de beurzen zal de dekkingsgraden opnieuw fors onder druk zetten.

Het voedt de verwarring bij veel ouderen, die de voorbije jaren zijn overspoeld met –meestal sombere– voorspellingen over hun inkomen op het moment dat zij niet meer in staat zijn om te werken. De stroom aan tegengestelde berichten is niet te voorkomen, meent Marike Knoef (37). Ze is als hoogleraar economie verbonden aan de Universiteit Leiden en is directielid van Netspar, een denktank in Tilburg die zich bezighoudt met vraagstukken rondom pensioenen. „Pensioenfondsen moeten regelmatig rapporteren hoe ze er voorstaan. Dat pikken de media op en je hebt zo weer het volgende bericht. Vroeger hoorde je uit die hoek nooit wat. Bovendien zijn de mensen zelf veranderd. Mijn oma vertrouwde blindelings op experts. Als zij het zeggen, zal het wel zo zijn, was haar redenering. Maar daar kun je vandaag de dag niet meer mee aankomen.”

Origami

Al op jonge leeftijd verdiepte Knoef zich in het verdelingsvraagstuk. Tijdens haar oratie, enkele jaren geleden, vertelde ze dat die interesse werd gewekt door een pakje origamipapier. „Dat kreeg ik op m’n zesde verjaardag. Het was schaars en wat doe je dan? Alle papiertjes opmaken, of maar af en toe zo’n papiertje gebruiken?”

Op haar achttiende, toen ze haar kast moest opruimen, vond ze het pakje origamipapier weer. „Het was maar voor een deel gebruikt. Het was natuurlijk veel beter geweest als ik al het papier had opgemaakt.” De les die ze leerde: je kunt in plaats van te weinig, ook te veel sparen.

Die wijsheid komt goed van pas bij haar onderzoek naar de pensioenen in Nederland. „Je wilt tijdens je werkende leven niet kromliggen om te sparen voor pensioen. En andersom is het ongewenst om na je pensionering op een houtje te moeten bijten omdat er in de jaren daarvoor te veel is uitgegeven.”

Hoewel er verschillende ontwikkelingen zijn die de pensioenen beïnvloeden, is de vergrijzing wel de belangrijkste meent de hoogleraar. „In 1950 waren er zes mensen in de werkende leeftijd voor iedere gepensioneerde, momenteel is die verhouding teruggebracht naar drie op één en in 2040 is dat twee op één. „Daardoor had voorheen een slechte beurs met minder rendement nauwelijks invloed. Dat is compleet veranderd. We zijn veel meer dan voorheen afhankelijk van de financiële markten.”

Verder speelt het verwachtingspatroon van de burger een rol. „Tijdens de financiële crisis, pakweg tien jaar geleden, begrepen mensen dat ze hun ambities moesten bijstellen. Die bereidheid was overduidelijk aanwezig. Dat is nu anders. Veel mensen snappen niet dat de lage rente en de gehanteerde rekenrente zo’n grote invloed heeft op de hoogte van de pensioenen. Dat roept onbegrip en boosheid op. De discussies zijn ook veel te technisch geworden.”

Dat kan alleen worden doorbroken door het systeem te vereenvoudigen en uit te leggen dat alle betrokkenen maar één doel nastreven: een zo goed mogelijk pensioen voor alle generaties. Is eenvoudiger in dit geval ook ietsje minder? Ze denk even na. „Wellicht is dat het geval. Het gaat erom dat de risico’s op een zo eerlijk mogelijke wijze worden verdeeld tussen verschillende generaties.” De reacties zijn op voorhand verdeeld. „Wat de één diefstal noemt, is in de ogen van de ander solidariteit.”

Het oproepen van emoties kan soms helpen bij het overbrengen van de gemeenschappelijke motieven, zo schreef ze recent in een notitie voor de bij het overleg betrokken partijen.

Ze deed tijdens een bijeenkomst afgelopen najaar zelf ervaring op. „Toen stond ik op een zaterdagavond voor een zaal met tachtig ouderen van 60 tot 70 jaar. Er waren veel kritische vragen, vooral gericht op het onderwerp rechtvaardigheid en het gebrek aan waardering. Toen een gezaghebbende oudere uit het dorp enigszins emotioneel echter meldde dat hij en ouderen om hem heen zich financieel wel konden redden, maar dat hij zich zorgen maakte over zijn kinderen sloeg de stemming om.”

ANP-407016149‘Vooruitzichten pensioenfondsen zien er heel slecht uit’

Beloning

Ze heeft de deelnemers aan het pensioenoverleg geadviseerd om het nieuwe contract te brengen als een beloning, niet als een vermijding van een onhoudbare situatie. „Als we willen dat mensen zich op de hoogte brengen van hun nieuwe situatie, moeten we duidelijk zijn over het goede én het slechte nieuws, zodat er geen sprake is van niet-kijken om hoop te houden.” Minder goed nieuws komt er zeker aan, verwacht ze. „Korten zal vaker voorkomen. Maar daartegenover staat dat er eveneens meer wordt geïndexeerd.” Daarbij past een reëler beeld. „Veel ouderen is in het verleden een te optimistisch wereldbeeld voorgehouden. Ze wisten eenvoudigweg niet dat er ook periodes kunnen zijn waarin er moet worden gekort.”

Minuutje later

De huidige situatie omschrijft ze als „onverwachte onzekerheid.” Knoef maakt het duidelijk met een voorbeeld. „De NS heeft een dienstregeling. We weten dat de trein af en toe een minuutje later kan zijn. Dat als het flink sneeuwt er meer vertraging optreedt. Dat is onzekerheid die we verwachten en begrijpen. Echter, als de trein nu weer eens 10 minuten te laat is, dan weer eens 20 minuten en we ons afvragen of er überhaupt nog wel een dienstregeling is, dan hebben we te maken met onverwachte onzekerheid. Daar kunnen we veel slechter mee omgaan. Aan die onverwachte onzekerheid –de vele tegenstrijdige berichten– moet een einde komen. Dat dient verwachte onzekerheid te worden. Soms maken we ons nu meer zorgen dan nodig is.”

Volgens haar onderzoek maakt bijna de helft van de Nederlanders zich zorgen over zijn of haar pensioen. Tussen de 20 en de 30 procent bouwt ook echt te weinig op. Ondertussen is de groep die snapt hoe het pensioenstelsel in elkaar zit, heel klein geworden.

De hoogleraar economie maakt zich in haar overleg met vertegenwoordigers uit de pensioenwereld en deelnemers aan de uitwerking van het pensioenakkoord dan ook sterk voor de invoering van een eenvoudige maar voor iedereen effectieve digitale rekentool.

Maatwerk

In de huidige ramingen wordt er meestal uitgegaan van dat er na pensionering 70 procent van het huidige inkomen nodig is. „Maar van echt maatwerk is geen sprake. Wat voor de een genoeg is, is voor de ander te weinig. Er spelen tal van zaken een rol. Naast de hoogte van de AOW en het aanvullend pensioen zijn dat bijvoorbeeld bezittingen, een hypotheek en spaartegoeden. En iemands gezondheid is van belang. Kun je veel zelf of moet een tuinman worden ingehuurd? Houd je van reizen? Om tot een juiste berekening te komen is een integraal plaatje nodig.”

Nog de beste

Bij de uitwerking van het pensioenakkoord staat een adequaat pensioen en uitlegbaarheid centraal, zo houdt ze ongeruste ouderen voor. Ze verwacht dat de presentatie niet langer dan enkele maanden op zich laat wachten. „Het komt er echt aan, vermoedelijk wel voor de zomer. Dat is best netjes, gezien de ingewikkelde vraagstukken.”

Ondanks alles behoort het Nederlandse pensioenstelsel nog tot de beste ter wereld, benadrukt de econoom. „Er is in Nederland maar weinig echte armoede onder ouderen.

Ook aan een tweede voorwaarde wordt voldaan: mensen kunnen na hun pensionering hun levensstandaard redelijk voortzetten. Dat is in heel veel andere landen niet het geval. Daar begrijpen ze vaak niet waar wij ons druk om maken.”

Hoe haal ik gezond m’n AOW, daar draait het vooral om

De Reformatorische Maatschappelijke Unie (RMU) richt zich vooral op de vraag hoe werknemers gezond de AOW-gerechtigde leeftijd halen. „Spreek niet over je grijze werknemers, maar verzilver hun inzet”, benadrukt Jan Schreuders, onder meer coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid bij de vakorganisatie.

Hij geeft een voorbeeld. Een lid van de RMU werkte al vele tientallen jaren bij een familiebedrijf. Hij bleef tot aan zijn pensioen verbonden aan de afdeling inkoop, maar kon op verschillende terreinen zijn jongere collega’s niet meer bijbenen. Toch bleef hij, beter gezegd: mocht hij blijven.

Schoolvoorbeeld

Wat Schreuders betreft een schoolvoorbeeld hoe het niet moet. „Hij voelde zich slechts gedoogd. Voor ons echter staat centraal dat werknemers de laatste jaren voor hun pensionering niet minder waardevol zijn. Maar dat heeft wel aandacht nodig. Steeds vaker zien we dat ze het door de stijging van de AOW-leeftijd niet meer volhouden en voortijdig buiten het arbeidsproces raken. Dat geldt uiteraard in de beroepen die als zwaar bekend staan, maar ook in tal van andere sectoren. Een bouwvakker kan last van zijn knie krijgen, maar een verkeersleider van een vliegveld kan het net zo goed niet altijd meer bijbenen.”

Maatwerk

In het nieuwe pensioenakkoord zal vermoedelijk wel rekening worden gehouden met werknemers die geheel of gedeeltelijk voortijdig afhaken, verwacht hij. „Belangrijk is dat per sector maatwerk wordt geleverd. Een goede relatie tussen werkgevers en werknemers is daarbij een voorwaarde. Laat ze in gesprek gaan over de wijze waarop de ervaring van de oudere werknemer kan worden gebruikt. Werkgevers kunnen een andere functie-invulling, een kortere werktijd of zelfs begeleiding naar ander werk faciliteren. En niet te vergeten: stimuleer ook de ontwikkeling van oudere werknemers, zodat ze in staat blijven hun eigen of aangepast werk te blijven verrichten. Sociale duurzaamheid, daar gaat het wat ons betreft om.”

Minder snel

Op dit moment is de uitkering van AOW gedurende een periode van twee jaar gekoppeld aan de leeftijd van 66 jaar en vier maanden, nadat eerder 67 jaar al bijna een feit was. De leeftijd van 67 jaar komt na deze periode weer in zicht, maar daarna is een verdere stijging afhankelijk van de levensverwachting. Die lijkt minder snel te stijgen dan de afgelopen jaren. „We beseffen dat het draait om de betaalbaarheid van de AOW en snappen het opschroeven van de leeftijd. Maar iets minder snel mag in de toekomst wel, bijvoorbeeld een half jaar later AOW per gestegen levensjaar.”

Schreuders ziet in verschillende sectoren bij werkgevers het besef groeien dat ze als gevolg van de vergrijzing steeds meer met oudere werknemers worden geconfronteerd. „Het gaat erom de kennis en ervaring van oudere werknemer op een juiste wijze te gebruiken. Dat is niet alleen een taak voor christelijke werkgevers, maar voor iedereen.”