De ene euro neemt verschillen tussen economieën niet weg

De diversiteit qua economische verdienkracht tussen Europese landen bleef na de komst van de euro bestaan. beeld ANP, Lex van Lieshout

Deze zomer bezocht ik nogal diverse landen: van het zuiden van Italië, tot het noordelijkste puntje van Noorwegen. Dan raak je onder de indruk van de mooie plekken die Europa heeft te bieden. Maar ook van de diversiteit die er is.

Veel van de landen waar we doorheen trokken hadden één ding gemeen: de euro. Niet allemaal natuurlijk. Zwitsers, Noren en Denen waren zo slim hun eigen munt te houden.

Valuta’s zijn in de eerste plaats middelen om mee te betalen. Dan is het wel gemakkelijk dat je in het verre Lapland gewoon met euro’s kunt betalen en je niet hoeft af te vragen wat de wisselkoers is. Ik herinner me nog goed de tijd dat je met cheques op reis ging om die ter plaatse in te wisselen bij de bank als het van huis meegenomen geld op was. Nu volstaat het om net als thuis overal met die ene pas te betalen.

Maar de invoering van de euro ging veel verder. De beslissers hadden een grote droom: als er één munt zou zijn, zou er ook één economie zijn. En belangrijker nog, een politieke eenheid. Een Europese bevolking met gezamenlijke waarden. En dat wilden ze graag.

Daarvan is weinig te merken als je de Noren vergelijkt met de Italianen. Of de Litouwers met de Fransen. Het afdwingen van eenheid via Brussel blijkt niet te werken.

Erger is dat de eurofielen dachten dat de diversiteit qua economische verdienkracht zou verdwijnen na invoering van de euro. Dat zou voorspoed brengen voor alle landen. Maar wie door de EU reist, ziet de enorme verschillen. Van welvarende landen die hun infrastructuur op orde hebben tot landen die nog een lange weg te gaan hebben. Van landen die erin slagen de wereldmarkt te bedienen met innovatieve producten tot landen die meer importeren dan exporteren. En daar gaat het echt mis. Want als landen dezelfde munt hebben maar een verschillende verdiencapaciteit, dan stroomt er geld van het ene land naar het andere. Vroeger paste men de waarde van de munt aan als dat structureel bleek te zijn, maar dat kan niet meer. En dat verklaart waarom tegenstanders van de euro bang zijn voor een transferunie: een EU waar structureel geld gaat van de rijke naar de arme landen. En dat is precies wat er gebeurt.

Diversiteit vraagt dus om loyaliteit. Dan is het niet erg om als het goed gaat mee te betalen voor burgers in landen waar het minder gaat. Zo houden de Verenigde Staten zich al heel lang op de been. Maar die loyaliteit is in de EU ver te zoeken. Daarom wordt het tijd dat Brussel kiest: doorgaan op de huidige weg óf kiezen voor een splitsing van de euro voor gebieden met een vergelijkbare verdiencapaciteit.

In het eerste geval zal op een of andere manier de loyaliteit binnen de EU gecreëerd moeten worden. De praktijk heeft echter bewezen dat loyaliteit niet of nauwelijks beïnvloed kan worden door politici. En zonder voldoende loyaliteit zal het draagvlak voor het monetaire beleid alleen maar afnemen.

Van de tweede optie is het de vraag of dat, na alle miljarden die in het monetaire systeem gepompt zijn, aantrekkelijk is. Niemand weet precies wat de risico’s van een splitsing zijn. Daarom durven veel politici die stap niet aan. Als ze dat al zouden willen, want opgeven van de euro is voor hen het opgeven van de Europese droom en dat voelt voor hen als een nachtmerrie.

De auteur is econoom en bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam