Banken na crisis van 2008 nog altijd kwetsbaar

beeld EPA, Peter Foley
2

We zijn tien jaar verder. Vanaf september 2008 greep de crisis in alle hevigheid om zich heen. Vandaag de dag beleven economieën een nieuwe bloeiperiode. Maar: hebben we lering getrokken uit wat er destijds gebeurde, of kan het zomaar weer misgaan? Hoe staan we ervoor?

Het begon destijds bij de hypotheekverstrekkers in de VS. Die verschaften ruimhartig leningen. Toen later de rente omhoogging, konden veel mensen niet meer voldoen aan hun betalingsverplichtingen. De verliezen stapelden zich op en zetten een kettingreactie in gang die uiteindelijk het mondiale financiële stelsel aan de rand van de afgrond bracht. Banken werden met overheidsgeld overeind gehouden, ook in Nederland. Het leidde vervolgens tot een diepe recessie, een periode van faillissementen, hoge werkloosheid, drastische bezuinigingen en dalende koopkracht.

Dit nooit meer, viel in eerste instantie bij iedereen te beluisteren. In die zin spraken bijvoorbeeld de leiders van de G20 zich uit, de groep van toonaangevende landen. Wat hebben die mooie woorden opgeleverd?

„Er zijn inderdaad stappen gezet om het systeem minder fragiel, om het weerbaarder te maken, maar uiteindelijk is daarmee te weinig vooruitgang geboekt”, meent prof. Harald Benink, hoogleraar bankwezen en financiën aan de universiteit van Tilburg. Hij treedt tevens op als voorzitter van een in 1998 opgericht comité van wetenschappers, economen uit een tiental Europese landen. Vorige maand vergaderden zij in Madrid. Na afloop publiceerden zij een verklaring met de waarschuwende titel: ”Tien jaar na Lehman. Stevent Europa af op een nieuwe financiële crisis?”

Een van de belangrijkste punten van zorg betreft de omvang van de kapitaalbuffers van de banken (het eigen vermogen in verhouding tot het balanstotaal). Hoe steviger dat ‘stootkussen’, hoe beter eventuele verliezen kunnen worden opvangen. Benink: „Voor 2008 waren wij al kritisch op dit punt. Toen bedroeg die ratio gemiddeld zo’n 2 tot 3 procent, nu rond de 5 procent. Er is wel enige verbetering, maar elk andersoortig bedrijf, een Shell of een Unilever, houdt buffers aan van wel 30 of 40 procent. Die van de banken zijn, ook nu nog, veel te laag.”

De banken ondernemen dus niet genoeg actie om zichzelf beter te beschermen?

„Ik zou liever in de eerste plaats willen verwijzen naar de toezichthouders, de centrale banken. Die negeren dat inzicht. Zij hebben in het verleden de kwetsbaarheid van het systeem zwaar onderschat. Bankiers proberen een zo groot mogelijke winst te behalen en nemen daardoor soms te veel risico. Daar kun je een moreel oordeel over uitspreken, maar dat is nu eenmaal hun natuurlijke neiging. Als toezichthouder moet je daar doorheen prikken en forsere kapitaalreserves voorschrijven.”

Bankiers hebben een gedeukte reputatie. Het publiek ziet hen meestal als de schuldigen achter de crisis. Is dat terecht?

„Elke partij heeft een eigen verantwoordelijkheid en banken hebben inderdaad niet altijd verantwoord gehandeld. Daarmee zijn we er niet. Ik wees er al op: de toezichthouders zijn ook tekortgeschoten. En vergeet niet dat verder de politiek heeft bijgedragen tot, met name in de VS, onvoorzichtige kredietverlening. Zij bevordert veelal eigenwoningbezit, zij waardeert het als banken daartoe de benodigde middelen beschikbaar stellen. Die stimulans kennen we in Nederland via de hypotheekrenteaftrek. Pas na de crisis zijn we hier begonnen met maatregelen om de lening die iemand maximaal kan afsluiten, te beperken.”

Hoe hoog zouden de kapitaalbuffers moeten zijn?

„Daar valt over te twisten, in ieder geval lijkt 10 tot 15 procent minimaal wenselijk. In de negentiende eeuw hadden banken zo’n 30 procent eigen vermogen. Begin jaren dertig van de vorige eeuw, toen de depressie uitbrak, was dat gedaald tot rond de 15 procent.

De VS en Europa vonden daarna dat een systeembank, een bank die belangrijk is voor de stabiliteit van het financiële systeem, niet failliet mag gaan: ”too big to fail”, zoals we dat tegenwoordig aanduiden, te groot om om te vallen. De overheid moet de helpende hand bieden. Dat staat niet op papier, maar dat is wel impliciet de regel, en dat creëert perverse prikkels en verstoort de disciplinerende werking van de markt. Als je weet dat je altijd gered wordt, kun je je lagere buffers en meer risico’s veroorloven. Obligatiehouders hoeven dan geen hogere rente als risico-opslag te eisen, want die beleggers zullen toch nooit hun inleg kwijtraken; en de banken zijn daardoor met hun financieringskosten goedkoper uit.

In de eurozone is nu weliswaar afgesproken dat obligatiehouders voortaan meebetalen als banken gered worden, een zogenoemde ”bail-in”, maar ik zie dat niet gebeuren. In de Europese richtlijn daarover staan namelijk allerlei uitzonderingsbepalingen, bijvoorbeeld in de situatie dat er een systeemcrisis dreigt. Bij het eerste het beste geval, de redding van het Italiaanse Monte dei Paschi di Siena, paste de overheid toch weer een kapitaalinjectie toe en bleef een afwaardering van obligaties uit. Een duidelijk signaal, zou ik zeggen.”

Lehman Brothers ging in 2008 wél failliet. Daarmee werd dan toch die ongeschreven regel van ”too big to fail” doorbroken?

„Die regel geldt vooral voor de commerciële banken die zich richten op kredietverlening aan kleine en middelgrote bedrijven en aan de consument. Lehman was een investeringsbank.

Daarbij hebben de autoriteiten zich wel onvoldoende gerealiseerd dat Lehman nauw verbonden was met andere banken, via allerlei constructies om hun risico’s af te dekken. Daardoor zijn andere spelers meegesleurd in de val.

Ik voeg trouwens aan dit alles toe: grote banken redden, daar ontkom je ook eigenlijk niet aan, want anders stort het totale systeem in en is de schade niet te overzien.”

De buffers verhogen naar 10 tot 15 procent, door nieuwe aandelen uit te geven of winst in te houden: dat betekent een hele sprong. Zal dat niet de kredietverlening en daarmee de economische bedrijvigheid schaden?

„Banken zeggen inderdaad dat het dramatische consequenties zou hebben. Het hoeft echter niet in één keer, neem er een jaar of tien de tijd voor. Het zit erin dat de rente op kredieten ietsje omhoog zal gaan. Als mensen en bedrijven daardoor wat terughoudender worden met lenen, is dat juist gunstig. Dat remt het uitdijen van de schuldenberg af.”

Over dit laatste: Benink noemt het enorme bedrag aan schulden in de wereld eveneens als een factor die de kans op een volgende crisis doet toenemen. „De schuldratio’s zijn geëxplodeerd. De malaise in 2008 had mede te maken met te veel schulden, waaronder hypotheekschulden in de VS. Dan zou je verwachten dat daarna de schulden van overheden, bedrijven en huishoudens worden ingedamd, maar het tegenovergestelde vindt plaats. Onder andere doordat de rente laag is. Ook doordat veel landen zich ontwikkelen en daarom veel investeren; denk aan China. Hoe groter de omvang van de schuldfinanciering, hoe groter de kans dat als het tegenzit, partijen niet langer hun rente- en aflossingsverplichtingen kunnen nakomen.”

Hoe zou je die groei van de schulden een halt moeten toeroepen?

„Op z’n minst kunnen de centrale banken de rente terugbrengen naar normale niveaus. Begrijpelijk dat zij onder invloed van de zware recessie hun tarieven ver terugschroefden, om de economie weer op gang te helpen. Daarmee hebben zij de vorige crisis gestabiliseerd. Tegelijk is de vraag of ze niet, als negatief bijeffect van hun stimulerende beleid, een nieuwe crisis aan het opbouwen zijn.”

Waarom zetten de centrale banken dan tóch hun ongekend ruime geldpolitiek zo lang voort?

„De Fed in de VS is al enige tijd bezig om de rente te verhogen en de ECB stopt eind dit jaar met het opkopen van obligaties. De koers snel verleggen is moeilijk; voor je het weet, roep je dan ook een nieuwe financiële crisis over je af. Veel bedrijven overal in de wereld zijn schulden aangegaan in dollars, omdat lenen in die valuta erg goedkoop was. Als de Fed nu het monetaire beleid wijzigt, moeten die bedrijven meer rente betalen. Bovendien wordt dan de dollar duurder en zijn zij dus omgerekend in de lokale valuta veel hogere bedragen kwijt aan rente en aflossing. Dat brengt die opkomende markten in moeilijkheden.

In Europa stemt de ECB formeel zijn aanpak af op het officiële doel: ervoor zorgen dat de inflatie onder, maar in de buurt van de 2 procent ligt. We weten echter allemaal dat Draghi tevens met die lage rente Italië uit de wind houdt. Als de rente snel aantrekt, stuit dat land op de grenzen van de financierbaarheid van zijn gigantische staatsschuld.”

U noemt Italië. Hoe moeten we met die risicofactor omgaan?

„Italië zit diep in de problemen. We hebben bijna twintig jaar de euro en in die periode is daar per saldo geen economische groei geweest. Bedrijven zijn te weinig concurrerend, bij de banken staan veel slechte leningen op de balansen, hervormingen, zoals op de arbeidsmarkt, blijven uit. En nu gaat het hard tegen hard met Brussel over het begrotingstekort.

Ik vraag me af of we niet moeten nadenken over een andere benaderingswijze. We kunnen wel met het vingertje blijven wijzen –jullie komen afspraken niet na, jullie houden je niet aan de regels; en Rutte en Hoekstra zitten er geharnast in– maar dat werkt niet. Politici in Italië krijgen dat niet uitgelegd aan het electoraat. Voor de Italianen is Noord-Europa de boeman. Ik zou zeggen: maak een actieplan voor aanpassing van de economie, houd de vinger aan de pols en beloon Italië als het goed presteert, door te investeren in de infrastructuur met Europees geld of door schuldverlichting toe te passen, want die overheidsschuld van 130 procent is waarschijnlijk onhoudbaar.”

Maar omgekeerd krijgen we hier nooit uitgelegd dat er weer geld wordt geschoven naar een zuidelijke EU-lidstaat.

„Dat is inderdaad een moeilijke boodschap, maar de politiek zal moeten aangeven dat we enorme risico’s lopen als het met Italië misgaat. Als Italië crasht en uit de euro valt, leidt dat tot een grote financiële en bankencrisis in Europa en dan zal onze kleine, open economie ongelooflijk hard geraakt worden. Dus je kunt wel roepen: geen geld daarnaartoe, geen transferunie in de EU, geen nieuwe risico’s, maar door onze verbondenheid via de euro torsen we al grote risico’s op onze schouders mee. Als de muntunie uit elkaar klapt, wil ik de mensen die ertegen zijn om geld in Italië te pompen, nog weleens opnieuw horen.”

Al met al schetst u geen positief beeld voor de toekomst.

„We hebben veel te weinig lering getrokken uit de crisis. Het banksysteem blijft kwetsbaar, met te lage buffers en, zeker in Italië en Griekenland, nog te veel slechte leningen. De dijken zijn onvoldoende opgehoogd. En tegelijk groeit de omvang van de schulden.

Het blijkt ook moeilijk om als de omstandigheden verbeteren, de aandacht voor deze thematiek vast te houden. Misschien staat ze nu even op de agenda door tien jaar Lehman en door Italië, maar zo’n momentum verdwijnt weer snel. Dat is misschien wel de tragiek van de mensheid, dat wij alleen in beweging komen als het verkeerd gaat. En daardoor is er het gevaar dat we sneller op een nieuwe crisis afstevenen.”

Economische schade door de crisis

De Nederlandse economie kromp in 2009 en in de periode 2012-2013. Maar de bevolking nam gedurende die tijd toe. Al met al was zowel in 2009 als in 2013 het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking meer dan 4 procent lager dan in 2008. Pas in 2016 keerde deze maatstaf voor de gemiddelde inkomsten terug op het niveau van 2008. In 2017 lag het bbp per hoofd er ruim 2 procent boven.

serie 10 jaar crisis

Op de val van Lehman Brothers in september 2008 volgde een wereldwijde crisis. Ook Nederland maakte magere jaren door. Hoe kwam het zover en wat hebben we ervan geleerd? Deel 9 (slot).