Automobilist betaalt aan de pomp rekening van stijgende olieprijs

beeld ANP, Lex van Lieshout

De automobilist is de laatste tijd bij de pomp steeds duurder uit. De brandstofprijzen zitten sinds de jaarwisseling in de lift. Euro95 kostte begin januari zo’n 1,60 euro en nu ongeveer 1,83. Het record van 1,89 uit oktober 2012 komt in zicht. Enkele vragen.

Hogere benzineprijzen, waar komt dat door?

Dat heeft alles te maken met de prijs van de grondstof van benzine: ruwe olie. Die bepaalt voor ongeveer 30 procent wat de consument betaalt. De rest van de rekening, het grootste deel daarvan dus, is opgebouwd uit de heffingen van de overheid: accijns en btw. De accijns op een liter Euro95 bedraagt bijna 79 cent.

Dus moeten we vervolgens naar de olieprijs kijken. Hoe komt die tot stand en hoe heeft die zich dit jaar ontwikkeld?

De olieprijs hangt af van de verhouding tussen vraag en aanbod op de wereldmarkt. Meer vraag drukt de prijs in opwaartse richting, meer aanbod zorgt voor het omgekeerde.

Begin januari kostte een vat Brent, de naam van een belangrijke oliesoort uit de Noordzee, rond 55 dollar per vat (met standaard een volume van 159 liter). Deze week zagen we noteringen in de buurt van 72 dollar. Dat betekent een stijging van ruim 30 procent.

De prijs van ruwe olie heeft de afgelopen jaren heftige bewegingen laten zien, omhoog en omlaag. In 2014 tikte hij aan boven de 110 dollar. Daarna ging het pijlsnel naar beneden, met een bodem onder de 30 dollar. Vanaf 2016 was er per saldo sprake van een opgaande lijn. In het laatste kwartaal van vorig jaar volgde weer een inzinking, van ongeveer 86 dollar naar iets meer dan 50 dollar.

Welke factoren spelen een rol bij de stijgende lijn vanaf begin dit jaar?

Die zitten vooral aan de aanbodkant. In de eerste plaats geldt er vanaf 1 januari een zelfopgelegde productiebeperking van een aantal belangrijke olieproducerende landen. OPEC is de organisatie van olie-exporterende landen. Zij telt 14 leden, met Saudi-Arabië als veruit de voornaamste leverancier, en heeft samen met Rusland –dat niet behoort tot deze ‘club’, maar wel een grote speler is– afspraken gemaakt over een lager aanbod. Deze maatregel moet de prijs opdrijven, uiteraard bedoeld om de inkomsten van de betrokken overheden te vergroten. De beperking duurt officieel tot 1 juli aanstaande. Op 25 juni bespreken de OPEC en Rusland of deze aanpak wordt verlengd of niet, of dat ze misschien gedeeltelijk van kracht blijft.

Van invloed zijn verder de (potentiële) verstoringen van de aanvoer uit Libië en Venezuela, allebei lid van OPEC. In Libië woeden gevechten tussen troepen van de regering en van krijgsheer Haftar, in Venezuela heerst al maandenlang politieke chaos.

Meest recente ontwikkeling betreft de aanscherping van de sancties die de Amerikaanse president Donald Trump in november 2018 heeft ingesteld tegen Iran, als vergelding voor het nucleaire programma van de leiders daar. Tot dusver mochten acht landen (China, Taiwan, Japan, India, Zuid-Korea, Turkije, Griekenland en Italië) Iraanse olie blijven kopen. Zij hadden een vrijstelling, maar het Witte Huis kondigde kortgeleden aan dat die uitzonderingsposities vanaf deze maand niet zouden worden verlengd.

Trump zorgt dus voor hogere benzineprijzen. Dat zullen zijn kiezers niet leuk vinden.

Klopt. Daarom liet hij vorige week vrijdag weten dat hij had gebeld met OPEC om aan te dringen op dalende prijzen. Hij bereikte met die verbale interventie in ieder geval dat de handel meteen reageerde met iets lagere noteringen. Overigens, de Amerikaanse olie-industrie is juist gebaat bij hoge prijzen. Die maken het namelijk rendabeler om zogenoemde schalieolie, uit diepe aardlagen, op te pompen.