Arbeidsmarktbeleid: minister Koolmees doet wat hij belooft

Demonstratie van vakbond FNV in Amsterdam, op de Dag van de Arbeid. beeld ANP, Remko de Waal

Het Haagse zomerreces is voorbij en achter de schermen zijn de voorbereidingen voor Prinsjesdag in volle gang. De stilte voor de storm is een goed moment voor een beschouwing.

Wat heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze kabinetsperiode bereikt en strookt dit met de ambities uit het regeerakkoord? En op welke dossiers is nog onvoldoende voortgang geboekt?

Op de Nederlandse arbeidsmarkt is flexibel werk inmiddels een structureel verschijnsel geworden, óók in sectoren die nauwelijks conjunctuurgevoelig zijn. Met de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) worden flexibele contracten duurder en iets minder flexibel, terwijl vast werk goedkoper en minder vast wordt. Het idee is dat werkgevers niet meer automatisch kiezen voor maximale flexibiliteit (zoals een nu veel gebruikte contractketen van 7+8+8 maanden), maar goed nadenken of ze al eerder, of juist pas later, een vast contract aanbieden. De WAB volgt de lijnen uit het regeerakkoord tamelijk nauwgezet en gaat in op 1 januari 2020.

De WAB verandert niets voor zzp’ers –daarvoor zijn aparte wetsvoorstellen in de maak– en voor de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Wel komt er in 2020 een ‘MKB-verzuimontzorgverzekering’ met ‘Poortwachtergarantie’. En zo wordt en passant ook de Nederlandse taal ‘verrijkt.’

Aan het pensioenakkoord had de minister een zware dobber. De persoonlijke pensioenpotjes, een grote wens van het kabinet, konden niet rekenen op een breed draagvlak. Daarom is afgesproken dat er straks twee verschillende soorten pensioencontracten komen. Dat draagvlak was er wél voor de mogelijkheid om bij pensionering in één keer tien procent van de opgebouwde aanspraak (”lump sum”) op te nemen. Dit kan ook zonder grote pensioenhervorming en een wetsvoorstel is hiervoor al in de maak.

Maar het belangrijkste winstpunt is dat het toekomstige pensioencontract beter aansluit op de arbeidsmarkt; met een leeftijdsonafhankelijke premie en een opbouw die past bij de inleg. We zijn er nog niet: het nieuwe pensioencontract en de transitie er naartoe moeten de komende jaren verder worden uitgewerkt. Door de lage rente is de noodzaak van hervorming groter en is de transitie goedkoper, maar ontstaan ook felle discussies over kortingen en rekenrente. Bovendien is verder beleid nodig om te voorkomen dat de groep zelfstandigen én werknemers zonder pensioenopbouw –samen bijna twee miljoen– alleen maar groter wordt.

Bij de pensioenonderhandelingen wilden de oppositiepartijen graag een pensioenplicht voor zzp’ers. Die kwam er niet, maar als ‘wisselgeld’ komt er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat hadden we niet zien aankomen. De precieze uitwerking laat nog op zich wachten. Maar dat er iets moet gebeuren om de trend van de almaar dalende verzekeringsgraad onder zelfstandigen te keren staat voor mij als een paal boven water.

Het zzp-dossier is misschien wel het meest weerbarstige dossier van de minister. En ook op andere dossiers is er nog veel werk aan de winkel. Daarover volgende week meer.

De auteur is econoom bij RaboResearch