ABN AMRO: „Teruglopend aantal Poolse werknemers versterkt personeelstekort”

beeld ANP, Marijn van de Pas

Het aantal arbeidsmigranten uit Oost-Europa neemt de komende jaren waarschijnlijk geleidelijk af. Dat betekent dat er nog meer druk komt op de toch al krappe Nederlandse arbeidsmarkt, stellen economen van ABN AMRO.

Nu de economie in Oost-Europa flink groeit en de werkloosheid daar lager ligt dan het Europees gemiddelde, zijn die arbeidskrachten hard nodig in eigen land. Er zijn eigenlijk steeds minder drijfveren voor bijvoorbeeld Poolse, Tsjechische of Bulgaarse arbeidskrachten om naar Nederland te komen, aldus de onderzoekers van ABN AMRO donderdag in een nieuw rapport.

In Nederland zou dit voor problemen kunnen zorgen, temeer omdat er in sommige branches nu al sprake is van een groot tekort aan personeel. Niet voor niets zijn er nu zo veel Oost-Europeanen aan de slag in Nederland. In de transport en logistiek alleen gaat het om bijna 53.000 mensen. Ook werken er veel Oost-Europeanen in de agrarische sector, de industrie en de bouw. Bedrijven in deze branches zullen alternatieven moeten vinden.

Volgens ABN AMRO-econoom Nora Neuteboom zijn er nog wel een enkele factoren die de druk wat kunnen verlichten. „Bij een brexit vertrekken veel Oost-Europeanen uit het Verenigd Koninkrijk die zich mogelijk in Nederland vestigen. Ook kunnen ondernemers waar mogelijk extra investeren in digitalisering en robotisering, om het effect van het personeelstekort op lange termijn te verzachten.”

Groeispurt

De onderzoekers bestempelen de economische groei van Oost-Europa als groeispurt. In vier jaar tijd groeide de regio namelijk jaarlijks met gemiddeld 4 procent. Polen ging aan kop, met maar een groei van maar liefst 5,1 procent in 2018. Daar daalde de werkloosheid van 13 procent in 2014 naar minder dan 5 procent nu. In Roemenië en Hongarije zijn de werkloosheidscijfers van ongeveer 3,5 procent vergelijkbaar met die van Nederland, aldus de bank.

Loonstijging Oost-Europa

Door een krimpende beroepsbevolking zal er de komende jaren voldoende werk zijn in de Oost-Europese landen zelf. Dit gaat gepaard met een snelle stijging van de lonen. Zo stegen de lonen in Polen in 2018 met 6 procent. In Roemenië bedroeg dat aantal zelfs 30 procent.

De landen wisten vooral de minimumlonen aardig op te schroeven. Vooral de praktisch opgeleide werknemers, die vaak het minimumloon ontvangen, zullen daardoor eerder in eigen land werk zoeken. Terwijl in Nederland juist veel vraag is naar praktisch opgeleid personeel.

Aantrekkelijker

Bovendien zijn Duitsland en Oostenrijk geografisch gezien aantrekkelijker voor Oost-Europeanen dan Nederland. Omdat ze dan in het weekend naar huis kunnen, neemt hun interesse af om in een ander land te werken. De onderzoekers baseren die verwachting mede op een rapport van consultantsbureau BCG.

Daarnaast merken ook arbeidsbemiddelingsbureaus dat het lastiger wordt om Oost-Europeaanse arbeiders naar Nederland te halen, zeggen de economen. Arbeidsmigranten uit Oekraïne en de Balkan zoeken vooralsnog werk in Oost-Europa vanwege de reisafstand en culturele overeenkomsten. Nederland moet dus niet teveel op hen gaan hopen.

Nieuwe slachtoffers

Behoren barre werkomstandigheden en uitbuiting dus misschien snel tot het verleden? vragen de onderzoekers zich zijdelings af. Nee, is het antwoord. Al zal voor sommige groepen werknemers het beeld veranderen, kwaadwillende werkgevers zullen waarschijnlijk nieuwe slachtoffers vinden. Toenemende migratie vanuit landen buiten de Europese Unie, zoals Oekraïne, de Filippijnen en Nepal, zorgen daarvoor.