Aardappelhandelaar Stet zet nieuwe rassen in de markt

EMMELOORD. Aardappelhandelshuis The Potato Company in Emmeloord slaat zijn vleugels steeds verder uit. Foto: eigenaren Gaby Stet en zijn vrouw Rinske Keuning. beeld Niels de Vries

Even is Emmeloord deze week aardappelhoofdstad van Europa. Morgen en donderdag vindt in het centrum van de Noordoostpolder de internationale vakbeurs PotatoEurope plaats. Een van de deelnemers is handelshuis The Potato Company van Gaby Stet en zijn vrouw Rinske Keuning.

Stet is een bekende naam in aardappelland. Vader Joop Stet zette ooit het bedrijf Stet Holland op. Dat werd eind vorige eeuw overgenomen door branchegenoot ZPC in Joure, het huidige HZPC. Maar bij Gaby Stet bleef de passie voor het vak bestaan. Hij wilde verder met de ontwikkeling van nieuwe aardappelrassen en met de export van pootgoed.

The Potato Company (TPC) startte in 2004 met de handel in vrije rassen, dat zijn rassen die al meer dan 25 jaar bestaan en waarvan het kwekersrecht is verlopen. Elke handelaar mag die in zijn aanbod opnemen.

Primeur

Tegelijk begon de onderneming –in samenwerking met zelfstandige kwekers– met het ontwikkelen van nieuwe rassen. Al in 2009 was er een primeur: Monte Carlo, een aardappelras dat samen met kweker Jan van Loon uit Dronten is ontwikkeld. Het ras heeft een sterke resistentie tegen de gevreesde schimmelziekte fytoftora –vroeger dé aardappelziekte genoemd– en tegen verschillende types aardappelmoeheid (AM). AM wordt veroorzaakt door aaltjes in de grond die de knollen van de aardappelplant aantasten.

Inmiddels staat de teller van nieuwe rassen bij TPC op tien. Elk ras heeft zijn eigen specifieke eigenschappen met betrekking tot kwaliteit, opbrengst en resistentie.

De export van de pootaardappelen is bij het handelshuis in handen van een klein team van deskundigen. Zij werken vanuit een eerder dit jaar betrokken nieuw pand aan de rand van Emmeloord.

Volgens teeltdeskundige Arjan Douma zijn er intussen ruim honderd telers die pootaardappelen voor TPC produceren. Het gaat vooral om zogeheten tafelaardappelen. Sinds kort richt TPC zich ook op rassen die geschikt zijn voor de fritesindustrie.

De afgelopen maanden was het in de branche relatief rustig. De aardappelen zaten nog in de grond, de handel moest nog op gang komen. Inmiddels is de oogst in volle gang. „Mensen uit meer dan veertig landen komen dit najaar kijken wat wij voor hen in petto hebben. In ons nieuwe pand hebben we alle ruimte om onze rassen te presenteren”, zegt Douma.

Noord-Afrika

De pootaardappelen van TPC gaan voor 70 procent naar landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het exportseizoen naar die bestemmingen staat voor de deur. Ongeveer 20 procent wordt verkocht in Europa en 10 procent vindt zijn weg naar aardappelteeltgebieden over de rest van de wereld. Jaarlijks verhandelt TPC meer dan 20.000 ton pootaardappelen, dat komt neer op 800 volle containers.

Het bedrijf beschikt volgens Douma over een tiental proefvelden in verschillende teeltgebieden. Daar wordt getest of nieuwe rassen voor het desbetreffende gebied, met de daar heersende klimaatomstandigheden, geschikt zijn. TPC test rassen in onder meer Duitsland, Frankrijk, Italië, Marokko, Israël en Zweden. Uiteraard gebeurt dat ook in Nederland, met name in de Noordoostpolder, dat een van Nederlands belangrijkste aardappelteeltgebieden is.

Grote uitdagingen zijn er niet alleen bij de zoektocht naar rassen die resistent zijn tegen ziekten, maar ook naar rassen die tegen zoute omstandigheden kunnen. „Dat is een thema in een land als Marokko. Om de aardappelen daar te laten groeien, wordt het land bevloeid met bronwater. In dat water zit een beetje zout, en dat blijft op het land achter. De grond wordt daardoor steeds zouter, en dat betekent een steeds groter probleem voor de plaatselijke akkerbouw”, zegt Douma.

Overigens komt verzilting ook in Nederland voor, onder meer in akkerbouwgebieden langs de Waddenzeekust en op Texel.

TPC werkt samen met een groep van ongeveer vijftig kwekers: boeren die zelf aardappelplanten met elkaar kruisen, via bestuiving. De zaden die daarbij ontstaan, hebben nieuwe genetische eigenschappen. De kwekers selecteren de nakomelingen met de beste gewenste eigenschappen.

Criteria

De nieuwe rassen worden op meer dan veertig criteria beoordeeld. Douma: „Behalve om resistentie tegen ziekten gaat het bijvoorbeeld om de potentiële productie van nieuwe knollen, de vorm van die knollen, de kwaliteit van de aardappelen en de tolerantie van de planten tegen verzilting.”

De ontwikkeling van een nieuw ras vergt veel tijd en energie. „Ieder zaadje moet worden opgekweekt, de oogst ervan moet worden vermeerderd en er gaat veel selectiewerk mee gepaard. Uit vele duizenden zogeheten zaailingen blijft in de regel maar één ras over waar je mee verder kunt. Veredelen is de kunst van het weggooien”, verwoordt de teeltdeskundige.

Ook het interesseren van jongere boeren is een opdracht waar de hele branche mee te maken heeft. „We proberen de jongere generatie te stimuleren, maar het is een hele klus. Het zijn vooral zestigplussers die zich met het kweken van nieuwe aardappelrassen bezighouden.”