ZOA: In Jemen is alle rek er nu echt uit

Maandoverzicht november 2018
Een ondervoed kind, Hanin al-Watari (10 maanden), in een medisch centrum in Sanaa, de hoofdstad van Jemen. beeld EPA, Yahya Arhab

Een slepende oorlog heeft de helft van de bevolking van Jemen afhankelijk gemaakt van voedselhulp. „We kunnen lang niet iedereen bereiken”, zegt Corine Verdoold, die voor ZOA in Jemen werkt.

In Dahyan, een dorp in het verre noordwesten van Jemen, stopt in de ochtend van 9 augustus een schoolbus vol kinderen. Ze komen terug van een picknick en de chauffeur houdt bij de markt van Dahyan even halt om wat versnaperingen te kopen. Daar komt het echter niet meer van: uit de lucht valt een lasergestuurde bom die de bus vol treft. Er komen 44 kinderen en 10 volwassenen om het leven.

De bom is afkomstig van een toestel van het Saudische leger. Opschriften op brokstukken van de bom wijzen uit dat die van Amerikaanse makelij is. Daarom richt de woede van de lokale bevolking zich na het incident net zo sterk tegen de Verenigde Staten als tegen Saudi-Arabië. ”Amerika doodt Jemenitische kinderen”, staat volgens een reportage deze week in The New York Times op een muur in Dahyan gekalkt.

Het incident toont iets van de gelaagdheid van het conflict in Jemen. De gangbare omschrijving ervan als een strijd tussen de internationaal erkende regering onder leiding van president Hadi, gesteund door Saudi-Arabië aan de ene kant en Huthi aan de andere kant, vertelt maar een deel van het verhaal. Achter de coalitie van Saudi-Arabië zit de impliciete steun van landen als de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië via wapenleveranties. De Huthi krijgen op hun beurt directe steun van Iran.

„Er zijn eigenlijk vier oorlogen aan de gang”, zegt ZOA-landendirecteur Jemen Corine Verdoold. Want naast de regionale strijd om de hegemonie tussen Saudi-Arabië en Iran speelt in Jemen zelf nog een onafhankelijkheidsstrijd van het zuiden én allerlei onderlinge conflicten in het zuiden.

Al die conflicten maken het werken in het land uitermate lastig. „Tot een aantal delen van Jemen hebben we geen toegang”, zegt Verdoold. „We kunnen als gezamenlijke humanitaire organisaties in Jemen op dit moment 8,5 miljoen mensen helpen, maar dat is nog lang niet genoeg.”

Verdoold stelt dat er in Jemen drie dingen urgent nodig zijn: geld, toegang tot de gebieden en inzicht in de noden. „En op al die vlakken gaat het mis.” Lokale autoriteiten bekijken het verzamelen van gegevens over hulpbehoevende mensen met argusogen, bang als ze zijn dat die voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt.

Exacte cijfers over het aantal mensen dat hulp nodig heeft, zijn er daarom niet. Toch is het voor Verdoold duidelijk dat het overgrote deel van de bevolking in nood is. „De rek is er aan alle kanten uit: zonder hulp dreigt voor miljoenen Jemenieten de honger”, zegt ze. Door ziektes als cholera raken veel mensen zo verzwakt dat er maar weinig nodig is om hen om te laten vallen.

Het wrange is dat het probleem niet eens zozeer het gebrek aan eten in het land is. Zeker in de grote steden zijn de supermarkten allesbehalve leeg. Het grootste deel van de bevolking kan de levensmiddelen echter simpelweg niet meer betalen. Het overheidspersoneel heeft al achttien maanden geen salaris meer gehad. De inflatie is enorm, de voedselprijzen zijn sinds begin dit jaar met 65 procent gestegen.

Verdoold hoopt dat de oproep deze week van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo, tot een staakt-het-vuren en vredesbesprekingen in Jemen, effect zal hebben. „Als er één land is dat bij Saudi-Arabië iets kan bewerken, dan zijn het de VS”, zegt ze. Ze doet daarnaast een appel op Nederland om in internationaal verband druk uit te oefenen op deze pogingen om vrede te bewerkstelligen.

Te midden van alle misère is Verdoold altijd weer onder de indruk van de veerkracht van het Jemenitische volk. „Toen ik pas aan een medewerker vroeg of hij niet wanhopig werd van de oorlog begon hij te lachen. „We zijn het gewend”, zei hij. En: „Er komt wel weer een betere tijd.” Het is een soort optimisme dat typerend is voor Jemenieten.”