Vakantie vieren? Dat is vooral: omhoog kijken

Vóór je tentje sterren kijken: een wow-moment.  beeld RD

Of je nu voor je tentje zit, of rondloopt in een kathedraal, omhoog kijken kan je een overweldigend wowmoment opleveren. Maar voor echt zicht op de hemel is meer nodig, leerde ik in Georgië.

De enige zal ik vast niet zijn, maar voor mij is vakantievieren: geregeld omhoog kijken. Om te checken of het gaat regenen (dat ook), maar vooral om bijzondere ervaringen op te doen. Een overweldigende sterrenhemel beleven, wanneer ik ’s avonds voor mijn tentje zit.

Omhoog kijken en onder de indruk raken. Dat is ook overdag mogelijk, alleen moet je dan niet in het open veld, maar in een kathedraal of domkerk zijn. Waar een oprijzend dakgewelf je in hogere sferen kan brengen. Ook dan is daar zomaar dat wowgevoel dat ik bij mijn tentje had.

Er zitten existentiële kantjes aan zulke open hemel- en gesloten dakervaringen. Levensbeschouwelijke lessen ook. Als het om de sterren gaat was de zendingstheoloog H. J. Bavinck (1895-1964) mijn ‘leermeester’. Ooit las ik zijn boekje ”Het raadsel van ons leven”. Wat me daaruit is bijgebleven zijn Bavincks opmerkingen over de nachtelijke sterrenhemel. Waardoor een werkelijkheid zichtbaar wordt die het daglicht niet verdragen kan: de realiteit van een kosmos die ons reduceert tot mieren rond een tafelpoot. Wie denkt dat de dag alles aan het licht brengt, die moet eens langer wakker blijven.

Fungeert dat gewelf in een kathedraal ook als zo’n levensbeschouwelijke eyeopener? Dat zou kunnen, maar zo’n gesloten dak kan je ook afhouden van helder zicht op de hemel. Die les leerde ik eerder dit jaar in de Georgische hoofdstad Tbilisi, waar ik met een voorganger van de baptistengemeente de Samebakathedraal bezocht. Net als andere Georgisch-Orthodoxe kerken is dit godshuis vanbinnen indrukwekkend om te zien en meer dan dat. Zien is een belevenis.

Maar de baptistenpredikant was minder positief. Zijn poging om Georgiërs tot persoonlijk geloof in de Heere Jezus te brengen werd vaak beantwoord met: „We zijn al christen.” In strikte zin hadden ze gelijk, want ze waren Georgiërs en „dus” lid van de Orthodoxe Kerk. Ze brandden kaarsjes en aanbidden de heiligen. Maar de Bijbelse boodschap van schuld en vergeving persoonlijk ontvangen en beleven? Dat ketste vaak af op de dikke huid van oppervlakkig nationaal-religieus denken van Georgiërs. En op een evenzo dikke mantel van tradities en bijgeloof, hen aangereikt door de Georgisch-Orthodoxe geestelijkheid.

Ondanks dat prachtige gewelf hoog boven mijn hoofd, bood de kerk in Tbilisi geen heilzaam zicht op de hemel. Het bleek vertroebeld door een wolkendek van tradities en bijgeloof. En de hemel verbleekte in het daglicht van kerkelijke pracht en praal. Misschien (geestelijk) nog wel het dodelijkst: christen-zijn bleek er gekaapt door een uitwendig nationaal-religieuze identiteit.

Vlak vóór de lockdown keerde ik terug naar Nederland, maar de ‘les van Tbilisi’ liet me niet los. Je levenlang kerkganger-zijn zonder Jezus persoonlijk te kennen, en daarbij ook nog eens door de kerk zelf geholpen. Om zo’n aangrijpende mogelijkheid te overdenken hoef je niet in Georgië te zijn of voor je tentje te zitten, ervaarde ik na terugkeer. Het kan ook thuis op zondagochtend, juist nu. Omdat mijn christen-zijn het even zonder die kerkgang moet stellen. En het nog maar de vraag is of er geestelijk dan iets overblijft.