Turkije solliciteert openlijk naar een dichte deur bij de EU

De Turkse president Recep Tayyip Erdogan (r.), tijdens een ceremonie in Istanbul ter herdenking van de mislukte staatsgreep van een jaar geleden. De autoriteiten hebben 15 juli uitgeroepen tot jaarlijkse nationale feestdag „van democratie en eenheid”. beeld AFP, Turkish Presidential Press Service

Wekelijks levert RD-correspondent Martin Janssen commentaar op actuele gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Vandaag: Turkije doet er alles aan om Europa ertoe te bewegen de deur voor hem dicht te doen.

Op 15 juli was het een jaar geleden dat er in Turkije een militaire couppoging werd gedaan. De Turkse president Erdogan gebruikte de herdenking ervan om uiting te geven aan zijn wrok tegen het Westen. In The Guardian verweet hij Europese regeringen dat ze na de couppoging een afwachtende houding hadden aangenomen. Hun „huichelarij en dubbele standaarden” hadden het Turkse volk volgens de president boos gemaakt.

Critici van Erdogan stellen dat hij aan paranoia lijdt, en wie zijn emotionele uitbarstingen tijdens de herdenking in het Turkse parlement beluistert, kan dit alleen maar beamen. Erdogan zei dat Turkije sterk moet zijn, „want we hebben veel vijanden die ons in de val willen lokken. Ze gunnen ons het recht niet om zelfs maar één dag te overleven.”

De Verenigde Staten hadden Erdogan na de mislukte coup gelijk gebeld om hem te feliciteren. Dat Washington zich hiermee echter niet verzekerd had van een loyale bondgenoot bleek de afgelopen weken. Allereerst maakte Turkije bekend dat het land het S-400-defensiesysteem van Rusland had gekocht. Dat is bevreemdend, gezien het Turkse lidmaatschap van de NAVO.

Afgelopen week maakte Turkije het echter nog bonter. De Verenigde Staten hebben in Syrië militaire bases opgericht, waarover ze in de regel uit veiligheidsoverwegingen nauwelijks iets loslaten. De Turkse krant Anadolu News meldde afgelopen week echter onverdroten de tien locaties waar zich deze Amerikaanse bases bevinden, inclusief per plek het aantal gestationeerde Amerikaanse militairen. Het is een publicatie die vooral in Iran met genoegen gelezen zal zijn en zomaar het leven van de Amerikanen in gevaar kan brengen. Als toegift gaf de krant ook nog aan waar zich 75 Franse soldaten bevonden.

Er is alle reden om aan te nemen dat de publicatie plaatsvond met instemming van de Turkse regering. Persvrijheid is in Turkije de laatste tijd, zoals bekend, een schaars goed geworden. Meer dan 100 Turkse journalisten genieten gastvrijheid achter de tralies omdat ze iets hadden geschreven wat hun president niet beviel. Het roekeloze gedrag van Turkije jegens twee mede-NAVO-lidstaten is onbegrijpelijk, hoewel het westerse zwijgen hierover even bevreemdend was.

Ook Griekenland ligt trouwens overhoop met de Turken. In de Egeïsche Zee bevindt zich een aantal Griekse eilanden, maar Turkije heeft deze regio eigenmachtig uitgeroepen tot gedemilitariseerde zone. Onlangs provoceerden Turkse straaljagers een helikopter die de Griekse president Pavlopoulos naar een van de eilanden bracht. De Turkse luchtmacht schendt vrijwel dagelijks het Griekse luchtruim.

Intussen wordt in Brussel nog altijd de rode loper uitgerold voor Erdogan, die onlangs op de BBC verklaarde dat hij zou willen „dat de EU gewoon zei dat ze Turkije niet bij de club wilde hebben. Dan zouden wij opgelucht zijn.” Duidelijker kun je het eigenlijk niet hebben.