PostUit Ethiopië: schot afvuren om bevalling op gang te helpen

Moeder en kind in Ethiopië. beeld Jilke Tanis

Het bespugen van een pasgeboren baby, kerknamen bij de doop en het afvuren van een schot om de bevalling op gang te helpen: bij de geboorte van een kind komt in Ethiopië heel wat tradities kijken.

Nu ik nog niet zo heel lang geleden een kind ter wereld bracht, merk ik bij mezelf een vrij bovenmatige interesse voor alles wat baby is. In Ethiopië kan ik mijn hart ophalen: er lopen niet alleen overal kinderen rond, er worden er ook nog eens dagelijks zo’n 9000 geboren.

Tegenwoordig komen de meeste van die kinderen in het ziekenhuis ter wereld, al is het in afgelegen gebieden nog altijd de gewoonte om thuis te bevallen. Vlak voor de bevalling zullen de vrouwelijke familieleden naar het huis van de hoogzwangere vrouw komen om samen met haar een traditioneel gerecht te eten. Komt de bevalling daarna niet op gang, dan wordt er in de geboortekamer een schot afgevuurd, zodat de baby hopelijk van schrik naar buiten floept.

Als er een zoon wordt geboren, dan blijven moeder en kind veertig dagen thuis. Krijgt een vrouw een dochter, dan blijft ze zelfs tachtig dagen binnen. In een van de slaapkamers van het ouderlijk huis wordt de kersverse moeder volgestopt met zoetigheden en de baby voorbereid op het leven aan de andere kant van de slaapkamerdeur.

Toen ik laatst op de bank van een Ethiopische kraamvrouw zat, vertelde zij dat het volgens de traditie ongeluk brengt om een kind jonger dan drie maanden de buitenlucht mee in te nemen. Elke Ethiopiër zal je waarschuwen voor gevaar en oudere vrouwen bespugen het kind ter bescherming tegen het boze oog.

Als een moeder, enkele zoete kilo’s zwaarder, na de kraamtijd uit de slaapkamer tevoorschijn komt, wordt de baby, naar orthodox gebruik, in zijn of haar blootje in een traditionele injerra gewikkeld. Dit slappe, zure pannenkoekachtige brood, het basiseten van elke Ethiopische maaltijd, wordt vervolgens onder luid gejuich door de familieleden opgegeten en zou de baby geluk moeten brengen. Na deze wat wonderbaarlijke gebeurtenis volgt een feestelijke optocht naar de orthodoxe kerk. Hier wordt de baby gedoopt en krijgt het van de dienstdoende priester een speciale kerknaam. Een naam van een engel voor een jongen en bijvoorbeeld Mary als het een meisje is. Met die naam wordt het kind de rest van zijn leven in de kerk aangesproken.

Tot nu toe blijven al die Ethiopische tradities onze eigen baby bespaard; we zien zelf weinig reden om haar in een injerra te wikkelen en die daarna smakelijk op te eten. Wat ik echter helemaal niet zo’n gekke traditie vind, zijn die kerknamen. Ethiopische roepnamen als Tegegnwerk, Yehualashet, Dagnachew zijn hier heel normaal, maar voor een Nederlandse kaaskop op geen enkele manier te onthouden.

Gelukkig ben ik niet de enige met een voorkeur voor simpele namen; elke moeilijke Ethiopische naam heeft wel een koosnaam die erbij hoort. Metabesia wordt Metty, Tedros wordt Teddy en onze stevige automonteur Chernet wordt door vrienden liefelijk Cherry genoemd.

Mijn eigen ‘cherry’, Mattias, is hier Mat en onze kleine Eden is Edu. Ikzelf ben in Ethiopië Jolka, wat ”de wijze in het orthodox geloof” betekent. Mijn naam verbeteren heeft geen zin, klagen over de uitspraak ook niet. Ik prijs mezelf gelukkig en ben allang blij dat we niet in Rusland wonen. Ook daar ben ik Jolka. ”Kerstboom.”