PostUit Colombia: hoofdpijn krijg je van de enorme corruptie

Van baantjes zwemmen tot het doen van een visumaanvraag. De Colombiaanse overheid, kampioen in het bedenken van bureaucratische procedures, maakt het de burger graag onnodig moeilijk.

De bureaucratie in Colombia is zó berucht dat er een speciaal woord bestaat voor de hoofdpijn die het oplevert: ”tramititis”, afgeleid van het woord tramite. ”Proces”, betekent dat letterlijk. Voor werkelijk alles is een berg papierwerk vereist in Colombia. De Colombiaanse wet telt 62.000 verschillende tramites, die als gemeenschappelijke deler hebben dat ze allemaal voor hoofdpijn zorgen, en ook dit: pogingen tot het succesvol afronden van een administratieve handeling stranden dikwijls roemloos.

Mijn eerste ervaring met het fenomeen was toen ik het idee had opgevat om te gaan zwemmen in een openbaar zwembad in Medellin. Nu zou je denken dat het meenemen van zwemspullen volstaat om een paar baantjes te trekken, maar dat bleek een misvatting. Ik werd naar een online registratieformulier gedirigeerd, waar ik moest invullen wat ik had gestudeerd, of ik al dan niet een inheemse of Afro-Colombiaans etnische achtergrond had, en of ik slachtoffer was van het Colombiaanse conflict, onder andere. Halverwege gaf ik het op. Dan maar niet zwemmen. Nu is dat niet zo’n ramp. Maar de talloze regels en onnodig moeilijke procedures hebben wel degelijk destructieve gevolgen voor Colombia. Voor de miljoenen Colombianen met een handeltje in de zwarte economie is de bureaucratische horde om die te legaliseren zo hoog, dat de meerderheid er maar van afziet. Of neem de vier tot zes miljoen boeren zonder formele landtitel van de grond die ze bewerken. De procedure om hun grond te laten registreren, kost op zijn minst tien maanden, legde een ambtenaar van het kadaster me uit.

En dat is als alles goed gaat. Een kleine rekensom leert dat het op hun tempo letterlijk eeuwen gaat duren om al het land te registreren. Ondertussen blijven deze miljoenen boeren verstoken van rechtszekerheid én van leningen om in hun land te investeren. Een regelrechte armoedeval.

Even zorgwekkend is de corruptie waarmee de trage processen en bergen zinloos papierwerk als vanzelfsprekend ‘opgelost’ worden. Het is algemeen bekend dat wie een administratieve handeling wil vergemakkelijken, een steekpenning onder de berg papieren dient te schuiven. Bedrijven in Colombia zien dat als een noodzakelijk kwaad, een onderdeel van de bedrijfsvoering waar geen ontkomen aan is.

„Heb je geprobeerd om het met geld op te lossen?” vroeg een Colombiaanse vriend achteloos toen ik hem vertelde over mijn probleem een aanbevelingsbrief van het Reformatorisch Dagblad voor mijn journalistenvisum in Colombia van een stempel te voorzien bij de notaris.

Dat had ik niet geprobeerd. Wel had ik gewanhoopt, tranen weggeveegd en mijn stem verheven tegen de notaris die me vroeg het originele document uit Nederland te laten komen. Ik had kosten noch moeite bespaard om het papiertje naar Colombia te krijgen. Toen ik het later onder zijn neus schoof vertelde de man dat hij pas een stempel zou zetten als degene die het getekend had zich bij hem zou melden. Dat ging dus niet.

Ook een medewerker van Buitenlandse Zaken was enkele dagen later onverbiddelijk. „Dat zijn de regels, señorita.”