Post Uit Paramaribo: Veel Surinamers lijden onder Chinese invasie

Lokale bedrijven komen amper aan bod. beeld Armand Snijders

Chinezen over de hele wereld vieren komende zaterdag nieuwjaar. Ook in Suriname vieren ze feest. Vreemd genoeg is dit het enige land op het westelijk halfrond waar dit een nationale vrije dag is.

Daar zit een praktische gedachte achter: je moet China te vriend houden, zodat je heel veel geld van het land kunt lenen.

De kans dat ik deze keer uitbundig mee ga vieren, is nihil. Ik ben door de Chinezen, en in het bijzonder hun ambassadeur in dit land, uitgeroepen tot persona non grata. Tot voor kort hadden de ambassadeur en ik veel contact, aten af en toe bij elkaar thuis en voor iedere receptie die de ambassade organiseerde, kreeg ik een uitnodiging. Mijn tienerdochter zou, als ze zou willen, moeiteloos een beurs kunnen krijgen en vijf jaar op kosten van de Chinese belastingbetaler een studie mogen volgen. En o ja, ik moest zeker nog China gaan bezoeken, ook volledig betaald uiteraard. Als blijk van de ‘vriendschap’ die we hadden, hebben we inmiddels thuis een halve kast vol staan met Chinese thee.

Maar sinds ik enkele weken geleden in een lokale krant een kritisch stuk heb geschreven over de minstens een miljard euro die het noodlijdende Suriname heeft geleend van China en wat de gevolgen zijn als die lening niet wordt terugbetaald, is de liefde over. Ik heb China in een kwaad daglicht gesteld en de relatie tussen beide landen in gevaar gebracht, was het oordeel van de diplomaat. Uiteraard een overtrokken reactie, maar hij is overtuigd van de goede bedoelingen van zijn broodheer. In heel veel landen weten ze inmiddels wel beter.

De eerste Chinese gelukszoekers zetten hier zo’n anderhalve eeuw geleden voet aan wal. Ze bouwden een bestaan op, vermengden zich met de andere bevolkingsgroepen en hun nazaten zijn een onlosmakelijk deel geworden van de samenleving. En van mijn vriendenkring. Maar er zijn ook ‘nieuwe’ Chinezen: zij die de laatste twintig jaar hier zijn gekomen, die met vrijwel niemand contact hebben. Zij zijn hier gekomen om de vele projecten die door China worden gefinancierd, uit te voeren. Want dat is de keerzijde van al dat lenen: lokale bedrijven komen nauwelijks meer aan bod.

Of het nu om de bouw van een nieuw onderkomen van het parlement gaat, het asfalteren van wegen, het baggeren van de Surinamerivier of de uitbreiding van de internationale luchthaven, dat móet door Chinezen worden gedaan. Er komen vliegtuigladingen vol om die projecten uit te voeren, Surinaamse ondernemers staan met lege handen. En dat baart heel veel mensen zorgen.

„We zijn hier Chinezen gewend, net zoals Guyanezen, Braziliaanse en Cubaanse nieuwkomers. Ze zijn van harte welkom, maar het worden er nu wel erg veel”, zei een bevriende ondernemer laatst tegen mij. Vroeger kreeg hij volop werk van de overheid, maar de laatste jaren moet hij met lede ogen aanzien dat nu alles naar Chinese bedrijven gaat. Van de veertig werknemers die hij had, zijn er nog maar vijftien over. „Dat zet kwaad bloed, maar daar doe je als eenling niets aan.”

Ik voel met hem en al die anderen die onder de Chinese invasie lijden mee. Dat is ook een van de redenen dat ik zaterdag niet bij de viering ben. Bovendien heb ik geen uitnodiging gekregen. Maar ik denk dat ik wel van flinke afstand het spectaculaire vuurwerk ga bekijken.