Post Uit Paramaribo: kinderen zijn gelukkiger in het binnenland

Gelukkige kinderen van Suriname. beeld Armand Snijders

Ieder jaar probeer ik minstens één keer een paar dagen de tropisch broeierige drukte en ongeorganiseerde wanorde van Paramaribo te ontvluchten en naar het binnenland te trekken.

Het binnenland beslaat alles wat niet in het kustgebied ligt en bestaat vooral uit ongerept regenwoud. Je kunt keurig verzorgde tripjes bij een touroperator boeken, maar die kosten extreem veel geld. Dus ik regel via via alles zelf. De kosten zijn daardoor minimaal en écht avontuur is verzekerd.

Zo ging ik onlangs naar Abenaston. Een kleine 2000 zielen tellend dorp, lang geleden gesticht door de Evangelische Broedergemeente. Gelegen aan de Boven-Surinamerivier die zich door de Amazonejungle kronkelt. Betrekkelijk eenvoudig te bereiken per bus en boot.

Het gebied wordt voornamelijk bewoond door Marrons, afstammelingen van weggelopen slaven. Ik kreeg onderdak bij een wat zonderlinge Nederlandse kennis, die al bijna vier decennia langs de rivier woont en volledig geaccepteerd is door de lokale bevolking. Hij kent in de meeste dorpen iedereen – en iedereen kent hem. Om die reden komt hij overal binnen, en de gasten die hij meeneemt ook. Een ideale manier om een doorgaans redelijk gesloten dorp te leren kennen.

Tegenover Abenaston, aan de andere kant van de rivier, heeft hij zijn eenvoudige huisje. Daar was ook mijn logeerhangmat opgehangen. Omdat de dag na aankomst op een zondag viel, was een bezoek aan de plaatselijke kerk vanzelfsprekend.

In Paramaribo had ik voor vertrek mijn mooiste kleren voor deze gelegenheid ingepakt en mijn schoenen wat opgepoetst. Op en top gekleed stapte ik in het kleine, gammele bootje van mijn gastheer om de oversteek naar het dorp te maken. Helaas gaan een gammel bootje dat bij de geringste golfslag begint te schommelen en ik niet samen: voor ik het wist, lag ik in het water.

Als een verzopen kat stapte ik de kerk binnen. Niemand keek echter vreemd op bij het zien van die natte witte man, ook niet toen ik naar voren werd geroepen om aan de kerkgangers uit te leggen wat ik in het dorp kwam doen en om ze te bedanken voor hun gastvrijheid.

Ongetwijfeld is er nog lang nagepraat en geroddeld over mijn onvrijwillige zwempartij; tegelijkertijd wist iedereen daardoor wie ik was. Of dat geholpen heeft dat ik de daaropvolgende dagen zo hartelijk door iedereen werd begroet en in staat werd gesteld om het echte leven in het dorp mee te maken, is onduidelijk.

Vooral de kinderen klampten zich doorlopend aan mij vast. Wat mij opviel, was hun onbezorgdheid. Ze lijken veel gelukkiger dat hun leeftijdgenoten in de stad. Natuurlijk pikken veel bewoners een graantje mee van de hedendaagse ontwikkelingen, zoals mobieltjes.

Maar op de jeugd heeft dat niet veel effect: ze zijn de hele dag buiten te vinden met zelfgemaakt speelgoed, spelen een potje dammen en helpen de ouders met allerlei klusjes. Hun levens worden niet beheerst door binnenshuis internetten en games spelen, zoals wel het geval is bij menig stadsgenootje.

Natuurlijk is niet alles even rooskleurig voor de jongeren. Vooral goed vervolgonderwijs ligt niet binnen handbereik. Daarvoor moeten ze naar het verre Paramaribo. Maar ik ben ervan overtuigd dat als ze daar aankomen, ze kunnen zeggen dat ze gelukkiger eerste levensjaren hebben gehad dat veel andere kinderen uit de stad.