Post Uit Krakau: buitengrens EU over in coronatijd is geen sinecure

Grens tussen Polen en Oekraïne. beeld EPA, Wojtek Jargilo
2

Reizen in coronatijd is niet altijd even eenvoudig, ondervond ik maar weer eens. Ook niet voor journalisten. De pandemie zorgt voor gesloten grenzen en strenge douaniers in maanpak.

Vaak genoeg ben ik de grens al overgegaan. En hoewel dat de ene keer langer duurde dan de andere, was het altijd gelukt. Maar dit keer wist anders. De buitengrens van de EU zat in beide richtingen dicht wegens corona.

Maar ik moest van Polen naar Oekraïne, om daar aan het werk te gaan. Gelukkig was de Nederlandse ambassade zo vriendelijk een aanbevelingsbrief te sturen naar het Oekraïense ministerie van Buitenlandse Zaken.

Aan de grens bleek echter sprake van een schrikbarende leegte. Normaalgesproken is de grens een soort georganiseerde mierenhoop, maar nu was het leeg en stil onder de overkapping van de Poolse kant van het grensstation.

Ik wachtte. Af en toe werd een enkele vrachtwagen doorgelaten, zo bleek. Voor personenauto’s was het hek letterlijk dicht. Pas na een tijdje werd ik opgemerkt door twee Poolse douanebeambten, jonge vrouwen in kakiuniform. Met gefronste wenkbrauwen kwamen ze op me afgelopen. „De grens is dicht” zei de een, die naast haar mondkap en pet ook een zonnebril ophad, waardoor ik niets van haar gezicht kon zien. „Er is een pandemie”, verklaarde ze. Maar ik had toestemming van de Oekraïense kant, zei ik. Ze ging raad vragen aan haar meerdere. Na een halfuur kwam ze terug. „Het land uit mag altijd”, sprak ze, en ze schoof zuchtend het hek open.

Opgelucht hobbelde ik door. Ik meldde me bij de Oekraïense grenspost, honderd meter verderop. Ook daar stond een vrouwelijke douanier, gehuld in een soort maanpak. Zij bleek vriendelijker, maar even streng. „Er is een pandemie”, zei ze, me nieuwsgierig opnemend. Ik zei dat ik toestemming had. Ze keek verbaasd, maar ging het vragen aan haar meerdere. In m’n achteruitkijkspiegel zag ik de Poolse douane-dames toekijken.

Na een kwartier kwam ze terug. Er was niks doorgekomen over toestemming voor een of andere Nederlandse journalist. „Kom morgen maar terug”, zei ze. En weg was ze. Het hek bleef gesloten.

Met moeite keerde ik mijn auto in het smalle straatje. De twee Poolse vrouwen waren nergens te bekennen en ook het hek naar Polen was weer dicht.

Daar stond ik dan, in niemandsland.

Pas na een halfuur kwamen ze aangestapt. „Polen is in een staat van pandemie”, sprak de vrouw met zonnebril met haar duim naar achteren, nu nog bombastischer. „De grens is gesloten.” Na mijn uitleg zuchtte ze. Ze moest raad vragen aan haar meerdere. Pas na nog eens een halfuur kwam ze terug om het hek open te schuiven.

De volgende dag was de toestemming er, verzekerde het Oekraïense ministerie me. Ik terug naar de grens. Onder de Poolse overkapping stond dezelfde vrouw, met pet en zonnebril. Nu lachte ze. „U maakt grappen met ons”, zei ze. Toch schoof ze de poort open. „Tot straks dus?”

Maar aan de Oekraïense kant werd het hek meteen geopend. Een jonge douanier in maanpak wenkte me vriendelijk verder. Moet ik niet worden getest, vroeg ik? Of getemperatuurd? In quarantaine? „Niet nodig, welkom in Oekraïne”, zei hij.

Ik voelde me bevoorrecht. Ik keek om en zwaaide naar de Poolse dames. Die zwaaiden niet terug.