Post Uit Bogota: Gulden regel in Colombia: geef niemand papaja

Goed op je spullen passen in Colombia. beeld Ynske Boersma

Geef geen papaja, is een van de zinnen die je het vaakst zult horen in Colombia. Dat heeft overigens niets met fruit te maken.

Het gaat om een fenomeen waar bijna iedereen in Colombia wel een keer mee te maken krijgt: een beroving. ”No dar papaya”, betekent dat je dieven geen gelegenheid geeft om je te bestelen.

Nieuwelingen krijgen daarom vele goedbedoelde adviezen op het hart gedrukt alvorens de straat op te gaan. „Niet bellen of appen op straat”, zo zei mijn bezorgde huiseigenares toen ik net in Bogota kwam wonen, „daarmee geef je papaja.”

Wanneer iemand dan toch is gerold, wordt doorgaans eerst geïnformeerd naar de omstandigheden. Je telefoon lag op tafel toen die werd gejat door de dakloze die om een aalmoes vroeg? Je was aan het bellen in de bus? Om, wanneer het slachtoffer bevestigend antwoordt, een diepe zucht te slaken en te verzuchten: „Je hebt papaja gegeven, mammie”, alsof de roof daarmee gelegitimeerd is, want je maakte het de dader wel héél gemakkelijk.

Als gevolg daarvan ben ik altijd alert, tot een staat van paranoia aan toe. Maar een mens kan niet altijd in opperste staat van alertheid zijn. Twee keer ben ik beroofd in de vier jaar dat ik nu in Latijns-Amerika ben. En beide keren, ik geef het toe, gaf ik papaja.

De eerste keer kwam ik na drie dagen reizen en evenveel slapeloze nachten aan in Buenos Aires, waar ergens tussen het treinstation en de busterminal het lot toesloeg, toen een duif mijn hoofd bescheet. Twee keer zelfs.

Met rugzak en koffer liep ik het dichtstbijzijnde café binnen, gadegeslagen door bewoners van de naastgelegen sloppenwijk. Het café zelf zag er ook al niet al te best uit, maar daar dacht ik met de duivenpoep in mijn haren even niet meer aan.

„De wc is boven, ik pas wel even op je spullen”, zei de ober. Ik liet mijn rugzak achter en ging het steile trappetje op naar boven. Foute boel, dacht ik toen ik het toilet binnenging. Maar toen was het al te laat. Nog net zag ik de rugzak de hoek omgaan, de sloppenwijk in.

Een week was ik boos, op mezelf. Het papajasyndroom, al kende ik het gezegde toen nog niet. Het zou me nooit meer overkomen, sprak ik mezelf toe.

Maar je kunt niet altijd alert zijn. Twee weken geleden werd ik opgenomen in het ziekenhuis nadat een resistente bacterie me beetgenomen had. Vier dagen later stond ik weer buiten. Met een hoofd dat nog wazig was, liep ik de apotheek binnen om medicijnen te halen. Altijd sluit ik mijn tas wanneer ik mijn portemonnee opberg, maar nu liet ik die een paar seconden openstaan terwijl ik wachtte op de factuur.

En weg was de portemonnee. Ik liet me zelfs om de tuin leiden door dezelfde oudere man die de portemonnee had weggegrist, die beweerde dat de dief net de hoek om was, „een man met een zwarte jas aan.” Pas toen we de zoektocht opgaven en ik de oudere man uit het zicht verloor, besefte ik dat hij het zelf was geweest. Een klassiek geval van papaja.

Maar ditmaal kon ik me er niet al te lang druk om maken. Helaas moet je in dit land, een van de meest ongelijke landen ter wereld, altijd opletten. En soms gaat dat even niet. ”Así es la vida” – dat is het leven.