Post Uit Berlijn: Naastenliefde 
in de eenzaamheid 
van de grote stad

Corona
Betreden van de speelplaats verboden. beeld Bertus Bouwman

De stad moet uit solidariteit vereenzamen, schreef de Berlijnse krant Tagesspiegel afgelopen week. Het zinnetje is noodzakelijk en waar, maar de tegenstrijdigheden in die twee woorden doen veel pijn.

Normaal gesproken is Post Uit een luchtig stukje waarin u als lezer in Nederland eventjes door mijn Berlijnse keukenraam mag gluren. U mag snuffelen aan exotische taferelen uit het alledaagse leven. Een kleine verrijking via verschillen en overeenkomsten met de buren.

Ditmaal is dat anders. Omdat we vanwege de pandemie wereldwijd in zekere zin hetzelfde meemaken. Dagelijks horen we de nieuwe getallen van het aantal besmettingen en hoeveel mensen er zijn overleden. Elke dag volgen er nieuwe maatregelen. Zo’n beetje alles waar geen voedsel of medicijnen te halen valt, sluit de deuren. Speeltuintjes zijn met linten afgezet. Wie kan, blijft thuis en er is ergernis over de mensen die zorgeloos zich daar niets van aantrekken.

Tot zover lijken er weinig verschillen met Nederland. Maar toen ik zaterdag naar de supermarkt liep, viel het me op. Naast de ingang zat een man. Muts op zijn hoofd, gaten in zijn jas. Zijn verlopen broek slobberde om zijn benen. De huid van zijn wangen was dof en rood, zijn ogen flets en teneergeslagen. In zijn hand een half verfrommeld papieren bekertje, dat hij met een beetje schroom naar me uitstak.

Berlijn barst van de zwervers. Dat is niet bepaald nieuws. Als metropool van 3,5 miljoen inwoners heeft het een grote aantrekkingskracht op veel Oost-Europeaanse daklozen, die hier makkelijker kunnen overleven dan in eigen land.

Als grotestadsbewoner leer je er een beetje mee leven. Af en toe stop ik een eurootje toe, soms een broodje of koffie. Maar doordat je dagelijks zo veel daklozen ontmoet, raak je ongemerkt een beetje afgestompt voor het leed aan de rand van de samenleving. Ook sus ik me vaak met de wetenschap dat veel Berlijnse kerken zich om hen bekommeren met voedselbanken, kleding en slaapplekken.

De hele week lopen we met kopzorgen rond om onszelf en onze naasten. Hoe doen we het nu met werk? Welke plannen moeten we afzeggen, hoe doen we het met de kinderen, nu ze niet meer naar school kunnen? Hoe komen we aan eten en hoe voorkomen we dat we ziek worden? Wat doen we als het zover is? Maar bij het passeren van deze man bij de supermarkt, schoot het ineens door me heen. Wie is er voor jou in deze tijd?

Op weg naar buiten heb ik hem een zak brood gegeven; hij knikte dankbaar. Maar hoe moet het verder? Die middag zag ik een filmpje voorbij komen van de Berlijnse omroep, juist over de kerken. De vrijwilligers die de voedselbanken draaiende houden, horen nu tot de risicogroep. Steeds meer kerken en voedselbanken sluiten de deuren. Zeker nu ontmoetingen met derden worden verboden. Een ramp voor de zwakste groep in de stad.

Net toen ik me afvroeg hoe ik kon helpen, zag ik op sociale media initiatieven van mensen die dit ook was opgevallen. Een congres werd afgezegd, een groot concern doneerde de honderden hotelovernachtingen aan daklozen. Buurtbewoners hangen aan een hek de oproep om spullen voor de minderbedeelden achter te laten. Even later hingen er tassen met voedsel en kleding.

Deze crisis brengt veel ellende, maar hopelijk leert het ons ook mededogen en naastenliefde. Solidariteit in de eenzaamheid.