Post Uit Barcelona: Spaanse obsessie met taal​ zit diep in de volksaard ingebakken

Teksten op borden zijn prima te begrijpen. beeld Lex Rietman

Tien miljoen mensen spreken Catalaans. Dat zijn er niet zo vreselijk veel, maar ook weer niet heel weinig. De meesten wonen in Valencia, de Balearen en Catalonië.

Het Catalaans is in deze drie regio’s in Oost-Spanje de eigen taal. Het heeft een semi-officiële status naast het Spaans (eigenlijk: Castiliaans). Dat is vastgelegd in het autonomiestatuut.

Alleen noemt het autonomiestatuut van Valencia de eigen taal ”Valenciaans” in plaats van Catalaans. Dit onderscheid is indertijd om politieke redenen gemaakt. Taalwetenschappers zijn het erover eens: het Valenciaans is een variant van het Catalaans. Het gaat om één en dezelfde taal. Mallorcanen, Valencianen en Catalanen begrijpen elkaar.

Vorige week dook een merkwaardig bericht op. Als de Valenciaanse regioregering wil communiceren met collega’s op de Balearen of in Catalonië, dan moet dat in het Spaans en niet in het Catalaans. Dat zegt de staatsadvocatuur in een schrijven aan het hooggerechtshof.

2019-01-29-BUI1-postuit-29-1-FC_webPost uit Paramaribo: Surinaamse aardappelmoeheid

Waarom mogen ze niet in hun eigen taal communiceren? Het argument is wonderlijk. Jullie kunnen elkaar niet begrijpen, zegt de staatsadvocatuur. Want volgens de wet spreekt de ene Valenciaans en de beide andere Catalaans. Dus moeten jullie het Spaans gebruiken, want dat is de enige taal die iedereen moet kennen.

Het opleggen van de Castiliaanse taal aan anderstalige minderheden –Basken, Galiciërs en Catalaanstaligen– is een constante die als een rode draad door de Spaanse geschiedenis loopt. Soms gebeurde dat min of meer subtiel, soms met harde dwangmiddelen. Een keerpunt was het begin van de achttiende eeuw. Toen werd de gecentraliseerde Spaanse eenheidsstaat ingesteld onder de wetten van Castilië. Het decreet van Nueva Planta gaf het startsein voor een lange reeks wetten die door de eeuwen heen het Castiliaans –steeds vaker Spaans genoemd– verplichtten en het Catalaans marginaliseerden of botweg verboden.

Volgens de grondwet van 1978 zijn de verschillende talen van Spanje „cultureel erfgoed dat speciaal respect en bescherming” zal genieten. Daar is echter weinig van terechtgekomen. Een simpel voorbeeld. Op de officiële website van de Spaanse regering kun je kiezen uit zes talen: Castiliaans, Catalaans, Galicisch, Baskisch, Valenciaans en Engels. Maar op welke taal je ook klikt, steeds verschijnen de teksten in het Castiliaans. De enige uitzondering is Engels.

ALFRED MULLERPost uit Israël: de oefening

Het is een boodschap die diep ingebakken zit in de Spaanse cultuur: het Castiliaans is de enige taal die ertoe doet. De andere Spaanse talen zijn bijzaak, en voor veel Spanjaarden een irritante bijzaak. Inspanningen van regio’s om de eigen taal te stimuleren, worden in de Spaanse media vaak afgeschilderd als discriminatie van Spaanstaligen.

Onlangs zond het landelijke tv-station Antena3 een reportage uit. Daarin werd een Spaanse toeriste in Valencia geïnterviewd. Ze zei problemen te hebben om verkeersborden met een tekst in het Valenciaans te begrijpen. Dat was natuurlijk discriminatie, een gevaarlijke situatie en onverantwoord „nationalistisch” beleid.

De teksten op de verkeersborden waren zonder al te veel moeite te begrijpen voor elke Spanjaard. Maar er was nog iets. De geïnterviewde ‘toeriste’ bleek een plaatselijke medewerkster van Antena3 te zijn. Ze had eerder tv-reportages gemaakt. In het Valenciaans.