Poolse mijnen bedreigd door corona

Buitenland
Activist en gemeenteraadslid Patryk Bialas (in blauw) levert broodjes af bij de dokters.  beeld Patryk Bialas
3

De Poolse mijnregio Silezië wordt geplaagd door een corona-uitbraak. Op de statistieken valt veel af te dingen, vinden ze in de regio. Toch leidt de pandemie, rond de presidentsverkiezingen, tot discussie over de toekomst van de kolenindustrie.

Hij is net klaar met zijn ochtenddienst, 1300 meter onder het aardoppervlak. „Het was zwaar”, zegt Mateusz. De 29-jarige mijnwerker is elektricien en was urenlang met zware kabels in de weer. Omdat het zo warm was beneden –30 graden Celsius en een hoge luchtvochtigheid– werd zijn team geïnstrueerd om zes in plaats van acht uur te werken. „Daar was ik blij om”, aldus Mateusz. Aan zijn gezicht valt af te lezen dat hij ook bij grote hitte houdt van zijn werk.

Behalve de torens van de liftschachten, met een draaiend rad in de top, is er boven de grond weinig te zien van het harde werk dat al twee eeuwen gewoon is in Opper-Silezië. De zuidwest-Poolse regio is belangrijk, omdat kolen nog steeds goed zijn voor bijna 80 procent van de Poolse energievoorziening. Maar nu in de afgelopen weken duizenden mijnwerkers besmet werden met Covid-19, vrezen de inwoners voor de toekomst.

„Afstand houden is onmogelijk tijdens ons werk”, zegt Mateusz. Met enkele tientallen collega’s tegelijk gaan de mijnwerkers in de lift naar beneden, legt hij uit, om vervolgens met dertig of veertig man in een treintje te stappen dat hen door de schacht naar hun werkplek brengt. „Dan zit je dus zó dicht bij elkaar”, zegt de mijnwerker, terwijl hij zijn handen bijna tegen elkaar drukt. Om de paar dagen wordt Mateusz getest: hij is nog steeds gezond, net als bijna alle collega’s in zijn kolenmijn. Maar een dozijn kolenmijnen werd tijdelijk gesloten, en honderden mijnwerkers in Silezië zitten noodgedwongen thuis.

Broodjes

De dokters zijn druk in Silezië. Een kwartier rijden verderop, in een gaarkeuken in een buitenwijk van de regionale hoofdstad Katowice, is een bijzondere actie aan de gang. Namens de culturele vereniging Zwiazek Gornoslaski (oftewel de Unie voor Opper-Silezië) is een groep vrijwilligers honderden broodjes aan het smeren: die worden straks naar de dokters gebracht. „Op deze manier willen we hen bedanken voor hun werk”, aldus Grzegorz Franki, de voorzitter van de vereniging. De epidemie brengt grote onzekerheid voor Silezië, vertelt hij. „In deze regio leven veel mensen van de mijnen. Nu horen we berichten dat Polen af moet van de kolen, en dat de regering het coronavirus daartoe gebruikt.”

Subsidie

De Poolse kolenindustrie wordt al jaren met subsidies in stand gehouden. Daarnaast heeft de industrie last van import van goedkope kolen uit het buitenland. Ook voert Polen, onder druk van de internationale gemeenschap, een energietransitie door: op termijn moet hernieuwbare energie het ‘zwarte goud’ vervangen.

De sfeer is dus bedrukt in de ooit zo trotse regio. Bij de poort van de mijn in Katowice stappen de mijnwerkers na hun dienst zwijgend in de auto. Mateusz vindt het prima om te praten, maar liefst in gezelschap van zijn vriend Konrad, een 29-jarige historicus uit zijn woonplaats Zabrze. „Eigenlijk werken we zoals gewoonlijk”, benadrukt Mateusz. „We nemen voorzorgsmaatregelen: aan de poort wordt onze temperatuur opgemeten, we dragen mondkapjes en desinfecteren onze handen.” Hij erkent de hoeveelheid infecties, maar kent geen mijnwerkers die er ziek van zijn. Konrad stelt vraagtekens bij het vele testen: „Waar getest wordt, vind je Covid. Waarom wordt bij de mijnen zoveel getest, maar bij grote fabrieken niet?”

De mannen krijgen bijval van Patryk Bialas, activist en gemeenteraadslid uit Katowice, die de broodjes bezorgt bij de ziekenhuizen. „Er is wel geld voor het testen van mijnwerkers, maar niet voor onderwijzers of mensen die werken in publieke functies. Zo wordt de pandemie een factor bij een mogelijke sluiting.”

Volgens Bialas stak de regering maandenlang de kop in het zand. „We vroegen in maart al om maatregelen voor de kolenmijnen. Toen de epidemie uitbrak, sloeg de angst de mensen in Silezië om het hart.” Bialas’ grootvader was ook mijnwerker.

Dat er mijnwerkers geïnfecteerd zijn is algemeen bekend, maar verder is er veel onduidelijkheid over de statistieken. Ziekenhuizen mogen niets zeggen. In vergelijking met andere landen wordt in Polen weinig getest. De onwetendheid voedt angst, en die angst voedt haat, legt Bialas uit. „Aanvankelijk gaven de mensen de dokters de schuld: vroeg of laat worden die immers geïnfecteerd. Vervolgens zullen ze familie en buren besmetten.” Met de broodjesactie willen de activisten daar „iets goeds tegenover zetten.”

Hotel

De haat is inmiddels overgeslagen op de mijnwerkers, zegt Konrad. Een tante die in de bergen woont, maande hem voorzichtig te zijn. „Aan je kentekenplaat zien ze dat je uit Silezië komt: ze kunnen je auto beschadigen.” Een vriend van hem was niet welkom in een hotel aan zee, toen ze merkten dat hij uit de mijnregio kwam.

Bialas denkt dat het tijd is voor een transitie van Silezië. Terwijl in de jaren negentig meer dan 400.000 mensen in de mijnen werkten, zijn er nu nog maar 83.000 banen. „Het is nu de beste tijd om de toekomst van de mijnwerkers te bespreken”, vindt het gemeenteraadslid. De mijnwerkers kunnen zo aan de slag als loodgieters, elektriciens en timmerlui, denkt hij. „We moeten een rondetafelgesprek beginnen over de toekomst.”

Mateusz weet zeker dat hij over kwaliteiten beschikt. Maar liever wil hij tot zijn pensioen in de mijn werken. Volgens Konrad moet dan kunnen. „Er zijn genoeg manieren om kolen duurzaam te winnen.”

In de hoofdstad is rond de presidentsverkiezingen de liefde voor de kolenmijn echter voorbij, ziet Konrad. „In Warschau hebben ze nooit begrepen hoeveel de mijnen betekenen voor de mensen.”