Over een bepaald níet feestelijk deja vu-gevoel tijdens Halloween

beeld AFP

Waar heb ik dat eerder gezien? Wie wel eens in een niet-westers land verblijft, die heeft tijdens Halloween meermalen een déjà-vugevoel van jewelste. Die doodskoppen en skeletten... die zag ik eerder.

Iedereen schijnt er voorbeelden van te hebben: van situaties, ontmoetingen of gebeurtenissen waarvan je direct denkt: dat heb ik eerder meegemaakt. Waar of wanneer dat was? Dat blijft altijd in het schimmige hangen, toch is er iets van herkenning en je weet het zeker: wat ik nu hoor of zie dat is niet nieuw. Zoiets is natuurlijk voer voor psychologen of wellicht voor psychiaters om zulke wonderlijke ervaringen te verklaren, of om ze naar het rijk der fabelen te verwijzen. Hindoes en andere reïncarnatie-aanhangers zullen er vast een bevestiging inzien van hún geloof in een vroeger aards bestaan.

Mijn eigen huis-tuin-en-keukenuitleg komt erop neer dat die herkenning voortkomt uit de ontelbare minuscule denkconstructies en reconstructies die elk mensenbrein maakt tijdens zijn slaap. Slechts een klein deel daarvan worden we ons bewust via dromen en nachtmerries. Het merendeel van die constructies sluimert in mijn onbewuste, totdat overdag iets gebeurt wat lijkt op wat ik ooit mentaal en slapend in elkaar puzzelde.

Maar voordat ik in Jomanda-achtig vaarwater kom: snel naar het thema dat ik hier wil aansnijden: Halloween, het bizarre feest van duisternis, dood en demonen, dat zich in menige etalage en winkelstraat alweer aandient.

Waarom ik bij het zien al dat gruwelijks een déjà-vu-ervaring heb? Omdat ik in het verre buitenland geregeld dezelfde voorwerpen tegenkom: doodskoppen, skeletten, afschrikwekkende maskers. Die zijn níet leutig bedoeld om schrik aan te jagen, maar ze zijn serieuze wapens in de strijd tegen demonen, geesten en goden.

De toverdokter die ik drie jaar geleden in de bergen van Myanmar (Birma) ontmoette, had een speciale ruimte met ‘halloweenspullen’. Het moment dat ik daar binnenstapte en in de holle ogen van een doodskop keek, zal ik niet gauw vergeten. De man toonde me bloedserieus zijn verzameling en maande me toch vooral overal af te blijven, omdat dat wel eens een nadelig gevolg voor mij kon hebben.

En dan de afzichtelijke maskers, opgehangen boven huizen en gebouwen in boeddhistische samenlevingen, bedoeld om boze geesten te weren.

Gaat het hier om dom volk dat is blijven hangen in bijgeloof? Of wordt hier iets vertolkt van een reële duistere wereld van geesten en demonen? Een wereld waarin ze nog volop gevangen zitten en niet uit zijn bevrijd door de enige kracht die daartoe in staat is: de Geest van Christus?

En zijn wij in het Westen dusdanig ontwikkeld en verstandelijk verlicht dat we die Geest níet nodig hebben? Zijn we zelfs zo in eigen kracht bevrijd van die duistere wereld dat we er spélletjes mee kunnen spelen?

Afgezien van dat ik het allemaal buitengewoon onsmakelijk vind: ik geloof niet in die bevrijdende kracht van het westerse brein waardoor demonen tot speeltjes zijn gemaakt. In die verlichtingsspiegel staart de intellectuele elite vooral graag naar zichzelf, uiteraard vol zelfbewondering. Achter haar rug trekt de massa hossend en verkleed als demon door de straten. En de geesten waartegen de Bijbel zo nadrukkelijk waarschuwt? Die krijgen intussen álle ruimte, en daarom feesten ze de komende dagen vast volop mee.