Op bezoek bij geïsoleerde christelijke gemeenten in hartje China

Christenen in China
Boeren op het Chinese platteland wachten tot de regen is opgehouden. Foto RD, Henk Visscher Henk Visscher
4

Ze leven geïsoleerd en in armoede, de boerenfamilies in hartje China. Maar de christelijke gemeenten groeien er als kool, ondanks de verdeel-en-heerstactiek van de staat. Toch zijn de zorgen groot. „Er is hier een schrijnend gebrek aan geschoolde voorgangers.”

Door een sleutelgat ergens naar binnen kijken, dat is niet fatsoenlijk, maar hoe zit dat als je naar búíten kijkt? Ik deed het deze zomer toen er in de vroege ochtend –het begon net licht te worden– een diep gemurmel aan de andere kant van mijn slaapkamerdeur opklonk. Turend door het sleutelgat, zag ik vijf mannen en een vrouw geknield rond een tafel, om beurten hardop biddend. De zes hadden het al eerder aangekondigd, dat ze een periode van vasten en bidden waren begonnen „om de nood van de kerk in China” aan de Heere God voor te leggen. En zie hoe ze daaraan iedere ochtend gestalte gaven! Hun vasten was minder in het oog springend: op momenten dat er een warme maaltijd werd opgediend, liepen zij stilletjes weg, of ze waren daarvóór al verdwenen.

Het waren enkele van de verrassend authentieke getuigenissen die deze Chinese christenen gaven. Authentiek omdat de plaats waar ik hen ontmoette ergens diep in het binnenland lag, ver weg van China’s grote moderne steden aan de oostkust.

Een brede, met asfalt gladgestreken snelweg lijkt hier een in quarantaine gegoten ader in een zichzelf blijvend landschap, maar de boeren weten er wel raad mee. Als hectometermannetjes en (vooral) -vrouwtjes hebben ze zich op gepaste afstand van elkaar aan weerszijden van de weg genesteld om van onder een parasol hun producten –perziken– aan de man te brengen.

Het hart van het oorspronkelijke China, als land van boeren, klopt er, vanwege de eindeloze graanvlaktes en de talloze boerendorpjes. Maar in dit deel van het Chinese rijk blijkt dus ook het hart van een levend christelijk geloof te kloppen, en dat vooral was een verrassing.

Mijn gastheer was dominee Wang, voorganger van de Kerk van het Levende Water, een inheems kerkgenootschap dat weigert zich te laten registreren bij de staat en dus als ondergronds te boek staat. Wangs kerk had ooit broeder Yun, in het Westen bekend als ”de hemelse man”, als voorganger.

Onverschrokken

De dagen dat ik met hem optrek, leer ik Wang kennen als iemand met een krachtige persoonlijkheid, voor niets en niemand bang. Zo had hij de gewoonte om op de meest ongeschikte locaties luid ”halleluja” te roepen – te schreeuwen zelfs, zoals die keer op een brug die een dal overspande. Dat deze onverschrokken christen vanwege zijn geloof drie keer achter slot en grendel zat, waarvan een keer vijftien jaar lang, verbaast dan ook niet.

In het boerendorp dat ik met hem bezoek, zeggen de bewoners nog nooit buitenlanders te gast te hebben gehad; de plaatselijke christelijke gemeente is dan ook verrast als een westerling aanschuift tijdens een doordeweekse samenkomst. Een gemeentelid noemt het zelfs „een Godsgeschenk” dat er eens iemand van ver langskomt. En na afloop van de dienst wil iedereen toch wel graag op de foto met die vreemdeling. Ook willen ze van alles weten over Nederland, waarvan niemand een idee heeft waar het ligt. Dat je er in drie, vier uur doorheen bent gereden leidt tot grote hilariteit, want in China zit je dan nog niet halverwege één provincie.

De kerk heeft in deze streek zo’n 2000 leden, vertelt Wang, en die zijn verdeeld over zo’n veertig tot vijftig huisgemeenten. „Family-churches”, familiekerken, noemen ze die, omdat de omvang ervan overeenkomt met die van een Chinese familie. Dat is geen vrucht van vrije keuze, maar opgelegd. De niet-geregistreerde kerk, zo heeft de overheid bepaald, mag naar buiten toe niet groter ogen dan veertig tot vijftig leden. Gebeurt dat wel, dan moet ze zich opsplitsen. Omdat de kerk groeit als kool, is de streek inmiddels rijk aan familiekerkjes. In elk dorp tref je er wel een aan.

In eerste instantie zijn al die kerkjes onzichtbaar, want een eigen gebouw zit er niet – ook dat mag niet. Aan huizen vastgebouwde lokaaltjes of boerenschuren zijn het waar christenen samenkomen. Dat de door de staat en de partij gecontroleerde Drie Zelfkerk wél een eigen kerkgebouw heeft, daarover doen de meeste ‘familiekerkgangers’ niet moeilijk: zij en niet de ”Drie Zelvers” zien immers hun ledental fiks toenemen. Om die reden is er vaak eerder andersom sprake van jaloezie. Dan is het wel oppassen geblazen, weet Wang uit ervaring, omdat vervolgens „zomaar iemand” de gemeente kan betichten van „verdachte praktijken”, waarop de politie in actie komt.

Het is alweer enkele jaren geleden dat er in het dorp een conflict was met de Drie Zelfkerk om de hoek, vertelt Wang. Sindsdien leven de twee groepen vreedzaam met, maar volstrekt geïsoleerd ván elkaar.

Gekromde vrouwtjes

Deze avond druppelen gemeenteleden pas laat het smalle zaaltje binnen dat als kerkruimte dienstdoet. Het is oogsttijd op het land, zo had Wang al gewaarschuwd, en dat betekent voor de meesten: lang doorwerken. Aan de gekromde vrouwtjes met eeltige gezichten is het harde landleven af te lezen; hun brede glimlach maakt hen evenwel weer jaren jonger. Bonkige types hebben hun blik op Wang gefocust, die deze avond de preek houdt. Moeders met slapende kinderen op hun schoot luisteren aandachtig. In het donker, even buiten het zaaltje, pikken later gearriveerde vrouwen en meisjes een graantje mee van de preek.

Het gaat er de rest van de avond vrolijk aan toe, vooral wanneer er een lied wordt aangeleerd. Zwaaien met de handen bij het zingen wordt terloops als „goed voor je gezondheid” aangeprezen.

Het kleinschalige van de dienst doet weldadig knus aan, maar dat beeld heeft ook een keerzijde, blijkt achteraf. De plaatselijke voorganger beklaagt zich over het grote tekort aan opgeleide voorgangers, en dat is logisch gezien de vele gemeenten in het gebied, die het nu op zondag met ongeschoolde gemeenteleden als voorganger moeten doen. De man zegt „iedere ochtend om vijf uur” op te staan om God te bidden voor een oplossing van dit nijpende leiderschapsprobleem; zondag is daartoe steevast zijn vastendag.

Met deze verdeel-en-heerstactiek lijkt de Chinese staat het tegendeel te bereiken van wat ze beoogt. Zo is bekend dat de autoriteiten vuurbang zijn voor exotisch-charismatische groepen in de samenleving –die zouden zich immers zomaar tegen de overheid kunnen richten– maar door gemeenten geschoolde leiders te onthouden werkt ze het ontstaan van zulke groepen juist in de hand. Verder komt verdelen ook neer op verspreiden, en ook dat zou je toch niet als doel van de overheid verwachten als het gaat om de christelijke gemeente en haar boodschap.

Positiever imago

De volgende dag ontmoet ik Elisa, voorganger van de 200 leden tellende gemeente De Wijngaard in de zuidelijke provincie Shenzen. Hij is helemaal hiernaartoe gekomen om mee te doen met het bidden en vasten onder leiding van Wang.

In Shenzen is de onderlinge verdeeldheid van gemeenten het grote probleem, zegt hij, niet zozeer het gebrek aan vrijheid. Hij laat weten dat gemeenteleden er zelfs buiten kunnen zingen en getuigen. Ook voor het minder vrije deel van China, waar hij zich nu bevindt, is Elisa optimistisch. Zolang voorgangers zich van politiek onthouden en enkel erediensten houden waarin het geloof in Jezus centraal staat, hebben ze niets te vrezen. Dat komt doordat volgens hem er duidelijk sprake is van een ander politiek klimaat in het land. „Na de aardbeving in Sichuan, in het voorjaar van 2008, is de staat heel anders naar christenen gaan kijken”, weet Elisa. „Die verrichten daar onder slachtoffers veel goed werk en hebben zodoende een veel positiever imago gekregen, dat nu in hun voordeel werkt.” Voorwaarde is volgens hem wel dat kerken niet met buitenlandse organisaties in zee gaan, want dat maakt hen opnieuw verdacht. En: ze moeten klein blijven. „De Chinese regering” vat Elisa samen, „bouwt geen grote dammen meer tegen de opmars van het christelijk geloof, maar laat de grote stroom in heel veel kleine riviertjes uiteengaan.”

Je moet als gemeente, vervolgt Elisa, wél die grenzen in acht nemen, en dus bereid zijn in kleine stappen te denken. Dat er rond de Shouwanggemeente in de Chinese hoofdstad Peking grote spanningen zijn, vindt hij dan ook geen toeval. „Die gemeente gaat veel te voortvarend te werk en daagt de overheid voortdurend uit.” Hij, en ook Wang denkt in die richting, verdenkt die gemeente er zelfs van politieke doelen na te streven onder het mom van religieuze vrijheid. „Dan moet je niet raar opkijken als ze je oppakken.”

Dit is het eerste verhaal in een serie van drie over christenen in China. Volgende week: op bezoek bij de Shouwang­gemeente in Peking.