Onverwachte opwekking onder moslims in Mali

Schoolklas in Mali. beeld Jan-Joseph Stok
2

Najaar 2014. In het Malinese moslimdorp waar Bijbelvertalers Ben en Judith wonen, klinkt geschreeuw. Een groep mannen roept hardop de naam van Jezus aan. Ze gooien heidense voorwerpen uit hun huizen op straat. Ben en Judith staan voor een raadsel.

Ben (51) en Judith (50), om veiligheidsredenen zijn hun namen gefingeerd, werken op dat moment bijna vijftien jaar voor Wycliffe Bijbelvertalers in het zuiden van het West-Afrikaanse Mali. Het echtpaar begeleidt er de vertaling van de Bijbel in twee Malinese taalgroepen, de j-taal (15.000 sprekers) en de d-taal (120.000 sprekers). Ook ondersteunen zij bij alfabetiseringslessen in verschillende dorpen.

Het werk is zwaar. De regio, waar Ben en Judith wonen, telt vrijwel geen christenen. De bevolking hangt de volksislam aan, dat wil zeggen een islam die vermengd is met animisme en voorouderverering.

Voor de Bijbel bestaat nauwelijks belangstelling, hoewel de inwoners wel enthousiast zijn over het feit dat Ben en Judith hun taal op schrift hebben gesteld. „Op moedeloze momenten vroeg ik me af: Waar doen we het allemaal voor? Heeft het wel nut om door te gaan?” zegt Judith.

Op die bewuste avond in 2014 nemen Ben en Judith in een studio het Bijbelboek Genesis op. Omdat slechts 30 procent van de bevolking kan lezen en schrijven, maakt het vertaalteam ook audio-opnames van vertaalde Bijbel­boeken.

Ben: „Ik hoorde dat buiten de naam van Jezus werd geroepen: „Jesu Togola! Jesu Togola!” Avond aan avond ging dat door. Toen ik de buren vroeg wat er aan de hand was, zeiden ze: „De christenen zijn gekomen.” We begrepen er niets van, want ons dorp kende geen christenen.”

Amuletten

Ben neemt een kijkje in de wijk waar het lawaai vandaan komt en ontmoet een groep jonge mannen. „Ze baden hardop in de naam van Jezus voor zieken en wreven hen in met olie. Uit het hele dorp kwamen mensen naar hen toe. De jongeren hadden dit afgekeken bij een lekenprediker in buurland Burkina Faso en pasten dit nu zelf toe.”

De mannen verwijderen occulte voorwerpen uit hun huizen, zoals amuletten, kleipotten en kleding, en gooien die op een hoop op het kruispunt midden in het dorp. De beweging krijgt navolging. Ook andere moslims zalven zieken in Jezus’ naam en gooien magische spullen weg. „Een aantal mensen kreeg een soort bovennatuurlijk inzicht. Ze konden precies aangeven in welke ruimte zich occulte voorwerpen bevonden.”

Ben en Judith zijn in verwarring door de beweging. Temeer als ze horen dat dezelfde dingen ook in andere dorpen in de regio gebeuren. „Hoe kan het dat moslims spontaan gaan bidden in de naam van Jezus, vroegen we ons af. Is dit van God afkomstig of niet? Kunnen moslims ook de gaven van de Geest ontvangen?”

Christenen uit een andere regio zijn er echter na intensief onderzoek van overtuigd dat God een deur heeft geopend onder de bevolking. „Ze kwamen op basis van Joël 2:28 tot de conclusie dat het niet onmogelijk is dat de Heilige Geest wordt uitgestort op moslims”, zegt Ben.

De „opwekking” leidt ertoe dat Ben en Judith met moslims uit het dorp de Bijbel gaan bestuderen. Ze geven hen audiobijbels met het vertaalde Bijbelboek Genesis mee. Vier dorpelingen komen daarop tot geloof. Judith: „Dit was een enorme bemoediging voor ons. Vier mannen uit ons dorp die in Jezus geloofden en gedoopt wilden worden.”

Ook in de rest van de regio bekeren moslims zich tot het christelijk geloof. In totaal zijn er nu zo’n 200 christenen verspreid over 8 dorpen. In het dorp van Ben en Judith staat de eerste kerk. Elke zondag vindt er een bijeenkomst plaats. Ben: „Iemand houdt een preek. Soms word ik gevraagd, maar meestal gaat een van de lokale christenen voor. Na afloop bidden we voor de zieken.”

Tegenstand

Vanuit de lokale overheid ontstaat tegenstand. In sommige dorpen ontstaan ook relletjes, omdat moslims onder dwang van pasgelovigen hun occulte voorwerpen moeten afstaan. De politie grijpt in en pakt een lekenprediker op die juist probeert de groep tot kalmte te manen. Hij zit drie maanden vast. Ben: „De nieuwe gelovigen moesten leren dat ze mensen niet mochten dwingen om afstand te doen van hun eigendommen. Dat moet uit iemand zelf komen.”

Bij Ben en Judith overheerst „verwondering” over de ontwikkelingen in hun dorp. Ben: „Ik zie het als een soeverein ingrijpen van God. Wij hadden dit nooit kunnen verzinnen of organiseren. God gaf deze opwekking op een moment dat wij net de vertaling van Genesis klaar hadden. Dat is toch ongelofelijk?”

Judith: „Ik had in het begin veel vragen en kon niet alles plaatsen. Toch zie ik duidelijk dat deze beweging ertoe heeft geleid dat mensen graag Gods Woord horen. Dat ze meer van Jezus willen weten. De mp3-bestanden met Bijbelverhalen worden grif gekopieerd van telefoon naar telefoon. Dat is zo bijzonder en motiverend om te zien.”

De komende tijd richt het Nederlandse echtpaar zich op het opnemen van de Bijbelboeken Lukas en Handelingen. „Bijbels onderwijs is hard nodig. Jonge mensen komen in aanraking met het Evangelie en noemen zich christen, zonder dat ze beseffen wat dat nu eigenlijk betekent. Radicaal nemen ze afstand van magie en oude gewoontes. Ze bidden tot Jezus, maar gaan uit onwetendheid in de fout.”

Dubbel afscheid

In het begin gebeurde het dat christenen hun tegenstanders in het openbaar vervloekten. Ben en Judith lazen vervolgens een gedeelte uit Lukas 6 met hen in hun eigen taal. „Daarin roept Jezus Zijn volgelingen op om je vijanden lief te hebben en te zegenen wie jou vervloeken. Toen ze dat hoorden, was dat voor hen een openbaring.”

Op jonge christenen in Mali komt veel af, zien Ben en Judith. „Wie christen is, moet dubbel afscheid nemen: van de islam, die structuur en saamhorigheid biedt, en van de traditionele Afrikaanse rituelen, waarvan mensen geloven dat die hun dorp en familie beschermen tegen boze invloeden. Juist dan is de kracht van het Evangelie doorslaggevend. Demonen en tovenarij verliezen hun kracht, want Jezus heeft alle macht. Het is geweldig om jonge christenen op weg te helpen door hun Gods woord in hun eigen taal te geven.”

----

Ben en Judith in Gouda

Ben en Judith zijn samen met vertaler Eema zaterdag de hoofdsprekers op de jaarlijkse Wycliffedag in de Sint-Janskerk in Gouda.

Op de Wycliffedag informeert directeur Bram van Grootheest de bezoekers over de wereldwijde ontwikkelingen op het gebied van Bijbel­vertaalwerk.

wycliffedag.nl

----

Malinese Eema: Bijbelvertalen is mijn passie

De Malinese Eema, om veiligheidsredenen is zijn naam gefingeerd, bekeerde zich tot het christendom nadat hij in contact was gekomen met een Amerikaanse Wycliffemedewerker. Momenteel vertaalt hij de Bijbel. „Ik ben geboren in een dorp in het zuiden van Mali. Mijn familie was animist. Op 12-jarige leeftijd werd ik moslim, zonder precies te weten wat dat inhield.

Aan het einde van mijn studie vertrok ik naar Ivoorkust om werk te zoeken. Ik kwam er in contact met een Amerikaanse Bijbelvertaler die een project in mijn taalgroep wilde opzetten. Hij wilde graag dat ik hem hielp, maar ik weigerde samen te werken met een christen. Hij bleef mij brieven schrijven waarin hij vertelde dat hij voor mij bad. Op een gegeven moment vroeg ik aan God een teken. Als ik binnen drie maanden twee koeien, een ploeg, een kar met een ezel en wat geld voor mijn familie bij elkaar had, zou ik teruggaan naar mijn geboortedorp en de Amerikaan gaan helpen. Binnen twee maanden was alles rond.

Ik ging terug naar mijn dorp. Daar las ik aan het begin van elke werkdag uit de Bijbel met die Amerikaan. Na enige tijd vertrok ik naar Engeland om daar een opleiding tot Bijbelvertaler te volgen. Tijdens een kerkdienst daar ben ik tot geloof gekomen.

In maart 1999 werd ik gedoopt als eerste christen van mijn dorp. Niet lang daarna volgden er anderen. Er zijn nu zestig gelovigen. Het Bijbel­vertaalwerk in mijn taalgroep schiet op: 90 procent van het Nieuwe Testament is vertaald.

Bijbelvertalen is mijn passie. Een Bijbel in onze eigen taal is belangrijk, want dan komt het Woord van God ook echt ons hart binnen. Ik hoop dat mijn dorpsgenoten door het lezen van de Bijbel inzien dat God niet ver weg is, maar dichtbij. Dat ze de enige, ware God leren kennen.”