Onduidelijkheid rond Afghaanse slachtoffers ISAF-bommen

KARBALA – Afghaanse militairen lopen tussen de in puin geschoten woningen van Karbala. Inwoner Hafizullah Isol (40): „De taliban schoten vanuit de boomgaarden, maar ISAF bombardeerde onze huizen.” Foto Joeri Boom Joeri Boom

Er lopen verscheidene onderzoeken naar de toedracht van de bombardementen door ISAF in de Choravallei, twee weken geleden. Geen onderzoeker heeft echter nog gesproken met dokter Shiz Amin, van de medische kliniek in Ali Shirzai, het belangrijkste dorp in het Choradistrict.

Shiz Amin heeft zijn eigen onderzoek al voltooid. Hij toont een lijst met slachtoffers van de gevechten. Veertien zwaargewonden, 48 lichtgewonden. „Alle patiënten waren lokale burgers, geen talibanstrijders”, zegt hij. „Er werden zes doden bij ons binnengebracht. Zij waren om het leven gekomen door vliegtuigbommen. De burgerbevolking sprak van zestig doden door bombardementen. We hebben verplegers het westelijke deel van de vallei in gestuurd, waar het hardst is gevochten. Zij hebben dorpelingen ondervraagd en kwamen uit op 36 doden door bombardementen.”

In de nacht van 16 juni zetten talibanstrijders van verschillende kanten een grote aanval op de vallei in. De strijd duurde tot en met 19 juni. Die dag deden Nederlandse en Afghaanse militairen een grote tegenaanval, waarbij het grootste deel van de talibanstrijders werd gedood of verdreven. Bij de strijd, die inmiddels bekend staat als de slag om Chora, werden door ISAF tientallen pantserhouwitsergranaten afgevuurd en nog eens tientallen lasergeleide vliegtuigbommen afgeworpen.

Een gecombineerde patrouille van Nederlandse en Afghaanse militairen daalt de heuvel af. Aan de rand van de ”groene zone”, zoals de Nederlandse ISAF-militairen het begroeide gedeelte van de vallei noemen, staan enkele ommuurde huizen. Dergelijke ”qala’s” zijn ijzersterk, maar tegen het geweld van vliegtuigbommen van 500 pond zijn ook hun muren niet bestand. Zeker acht qala’s zijn verwoest. Van een van de huizen is weinig meer over. Een groot deel van de buitenmuur is weggeblazen en het woonvertrek is vernietigd. De binnenplaats is veranderd in een berg aarde en puin. Een paar bomen zijn ontworteld en tussen de stenen ligt een lange paarse sjaal.

Dit was het huis van Hafizullah Isol (40), een tengere, verlegen man in versleten bruine kleren. Zijn vrouw, zijn broer en zijn zus kwamen om het leven tijdens het bombardement. Want dat was het, een bombardement door ISAF-vliegtuigen, géén beschieting van de taliban, vertelt hij. „De taliban naderden onze huizen en begonnen te schieten op de ISAF-militairen. Daar stonden ze.”

Hij wijst naar de heuvel waar ook nu weer de Nederlandse pantserwagens staan. Op de heuvel zijn zwarte plekken te zien van mortierinslagen. „De taliban schoten vanuit de boomgaarden, maar ISAF bombardeerde onze huizen. Verderop is ook een huis geraakt door een bom. Daar zijn zes mensen gedood. Er waren twee kinderen bij.”

Andere inwoners van Qal-eh-ye-Rah bevestigen het verhaal van Hafizullah Isol. Alodat (45), die zoals veel Afghanen slechts één naam hanteert, vertelt dat de inwoners van het dorp vrijwel allen waren gevlucht naar de bazaar in Ali Shirzai, die in handen was van het Nederlandse en het Afghaanse leger. „De dag nadat de Nederlanders een tegenaanval hadden gedaan, zei de districtschef ons in de moskee dat we terug naar huis konden. Hij zei dat het veilig was. Toen we terugkwamen, zagen we geen taliban, wel de Nederlanders op de heuvel.” Alodat had geluk. Ook zijn huis is vernietigd, maar zijn familie leeft nog. Hij verloor slechts zes schapen.

Navraag bij kapitein Larry, die de Nederlandse troepen in de Choravallei aanvoert, leert dat ISAF inderdaad niet het sein veilig heeft gegeven. „We waren verbaasd dat de mensen teruggingen. Het gebied was in onze ogen nog niet veilig.”

Aan de andere kant van de rivier ligt het dorp Karbala. Ook hier vielen ISAF-bommen. Langs de bijna drooggevallen rivierbedding is een complex van meerdere qala’s vrijwel volledig vernietigd. Er staan nog wat muren, maar de vertrekken zijn ingestort en soms zelfs volledig verdwenen. Als door een wonder is de ommuurde bloementuin van een van de qala’s nog volledig intact. „Ik was aan het bidden toen de bommen vielen”, zegt Abdulrazak (30). „Dat heeft me gered.”

Hij toont de achterkant van zijn gewaad, vol met scheurtjes. Abdulrazak zegt dat die veroorzaakt zijn door rondvliegende scherven. In de puinhopen ruikt het naar de dood. Er ligt een kadaver van een koe te rotten. Een paard is in stukken gescheurd. De achterpoten liggen meters verwijderd van de romp. Volgens de dorpelingen, die puin aan het ruimen zijn, liggen er misschien nog lichamen onder de stenen.

Hier vielen de bommen eerder dan in Qal-eh-ye-Rah. Volgens dorpsoudste Mohammed Aktar (55) werden de huizen op de tweede dag van de talibanaanvallen vernietigd. Hij zegt dat de huizen vol zaten met vluchtelingen uit het dorpje Kalakala, die gevlucht waren voor het geweld. „Daarom weten we niet hoeveel mensen nog onder het puin liggen. We hebben nu zestien doden geborgen, onder wie twee baby’s.”

Bij de bombardementen waren Nederlandse F-16’s en Amerikaanse F-18’s betrokken. Volgens de Nederlanders worden slechts qala’s gebombardeerd als er een ”positive identification” is. Dat was in Karbala zeker het geval, zeggen zij. Volgens ISAF werden vanuit de gebombardeerde qala’s de gevechten geleid en vormden zij dus een legitiem doelwit.

Niet alle bewoners van Karbala zijn op de hand van ISAF, zo blijkt uit inlichtingeninformatie van de Nederlanders. Een dorpeling nam contact op met een talibancommandant om te melden dat ISAF langs was geweest bij de puinhopen. „Blijf doorgeven wat ze aan het doen zijn daar”, meldde de talibancommandant aan de informant. „We hebben nog spullen liggen in die qala’s.”

Onduidelijk is of de geborgen lichamen in Karbala burgers zijn of talibanstrijders. Volgens de dorpsoudste zijn de lichamen begraven in enkele kleine massagraven. Een Nederlandse majoor meldde rond Karbala verse graven te hebben gezien, getooid met witte vlaggen. Dat zijn doorgaans graven van talibanstrijders.